Kleibuiters Klimkruiers & Uitwijkers: een kerstverhaal

I.

Er was eens een minister, die strikt wilde zijn voor de mensen die in haar land onderdak zochten en werk. Het ging niet om de vaste bewoners, de mensen die al eeuwen in het land waren gevestigd, de zogenaamde ‘ kleibuiters’, of de mensen die enkele tientallen jaren in het land woonden, de ‘ klimkruiers’ , maar om vreemdelingen, ‘ uitwijkers’ genaamd, die in grote getale op allerlei manieren het land binnenkwamen. Per vliegtuig, per trein, per vrachtauto, zelfs per boot. "Dat kan zo niet doorgaan, we moeten er iets aan doen," zeiden de vaste bewoners. De minister ging aan het werk om paal en perk te stellen aan de toeloop van al deze mensen. De wet moest worden aangepast en er moesten zoveel mogelijk uitwijkers worden uitgezet. De mensen van het land vonden de minister streng, hardvochtig streng, maar rechtvaardig en de minister liet weten dat zij niet van ‘ zielig doende mensen’ hield: "Daar heb ik toch zo’n hekel aan." Maar voor ‘ echt zielige’ mensen wilde zij blijven open staan.

Er kwamen twee groepen mensen in het land tegenover elkaar te staan. Een groep, die de uitwijkers die niet mochten blijven, ‘ zielig’  vond en zich om hen wilde bekommeren. "Want," zo luidde de redenering, "ook al werden de dossiers van de echt zielige mensen nog eens door de minister bekeken, er bleven toch nog echt zielige mensen over. Het waren er meer dan je zo zou denken als je de verhalen van de immigratiedienst hoorde. In de praktijk bleek dat die dienst het ook wel eens, meer dan eens, aan het verkeerde eind had. Dan probeerde ze toch net te doen alsof ze het daar aan het goede eind hadden. Soms was het ook echt moeilijk om het goede eind en het verkeerde eind niet met elkaar te verwisselen. Er waren ook veel mensen, de tweede groep, die het beleid van de minister toejuichten ondanks het feit dat sommige uitwijkers die werden uitgezet, gevaar liepen te worden opgepakt bij terugkeer in het land van oorsprong. Ze vonden haar heel consequent en riepen haar uit tot ‘ beste politicus’. Hier moeten we even stilstaan bij het gebruik van het woord politicus. De vrouwelijke uitgangsvorm a werd haast niet meer gebruikt in dat land. Deze nieuwe gewoonte suggereerde dat het niet beslissend is of een man of een vrouw een bepaalde functie bekleedt; er waren veel vrouwen werkzaam in door mannelijke woorden beheerste ambten en betrekkingen ( hoewel er een uitzondering was gemaakt voor de vrouwelijke uitgang van het woord ‘koning’ ). Deze eigenaardigheid is van belang voor ons verhaal want het leek  zowaar alsof de minister haar stoerheid aan die taalkundige ontwaarding ontleende.

De eerst genoemde groep in het land, de mensen die de uitgeprocedeerde uitwijkers zielig vond, bedacht van alles om die mensen te helpen, maar de minister meende dat de ontplooide activiteiten vooral tegen haar en haar beleid waren gericht. Het was een vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid, vond ze, waartegen zij wilde optreden. Het was intussen een moeilijke toestand geworden in dat land. De twee groepen stonden onverzoenlijk tegenover elkaar. Het was winter en het werd kerstmis. Kerstmis herinnerde de mensen aan allerlei  dingen, ook aan verhalen. Op een dag, niet lang voor kerst, las een moeder haar kinderen voor het naar bed gaan het verhaal voor van een schrijver uit een ander land, ‘Het meisje met de zwavelstokjes’.

In een hoekje bij een groot huis waarbinnen een familie kerstmis vierde met een groot diner en een brandende boom, probeerde een doodarm meisje die niet thuis mocht komen voordat zij alle zwavelstokjes had verkocht,  zich warm te houden. Met haar ijskoude vingers deed zij haar best de onverkoopbare zwavelstokjes af te strijken om enige warmte te vinden, al was het maar voor een paar tellen. Tenslotte streek ze alle overgebleven zwavelstokjes tegelijk af. Bij het laatste zwavelstokje dat opvlamde, zag zij in de korstondige zee van licht het vriendelijke gezicht verschijnen van haar gestorven grootmoeder, die haar toelachte en haar armen naar haar uitstak. Met een glimlach op het gezicht vonden de mensen de volgende morgen het meisje doodgevroren op de straat. Naast haar in de sneeuw lagen de zwarte resten van de uitgebrande zwavelstokjes. 

Dit verhaal bracht de moeder op een idee. Zij belde met enige bevriende kleibuiters, en met enkele bevriende klimkruiers, en samen bedachten ze een plan. Zij kondigden daarop aan in de wijkkrant, in het kerkbulletin, in de moskee, in de synagoge en het buurtgebouw dat zij in de kerstweek als het donker werd een lamp zouden aandoen of een kaars aansteken, en die op een plek buiten bij de deur of binnen voor het raam zouden plaatsen, zodat uitwijkers die geen recht meer hadden op zorg van de staat en op straat stonden, zouden weten dat zij welkom waren bij de huizen met de lichten. Het werd een grote actie waaraan veel mensen meededen. De minister verbitterde zienderogen. "De kleibuiters en de klimkruiers riepen zelf om een harde lijn," zei ze boos, "en nu ik die uitvoer saboteren zij mij." Gelukkig was er een klimkruier die haar in een krant, waarin hij een column schreef, te hulp schoot en nog eens belichtte hoe goed de minister het voor had met iedereen in het land. Hoewel dit een beetje hielp begon de minister naar meer tekenen van instemming te zoeken, naar woorden en daden die haar in het gelijk stelden. Maar toen er op een ochtend een harde kiezelsteen tegen de ruit van haar werkkamer ketste wist ze het zeker. Men had het tóch op haar gemunt.  Ze belde haar collega van Justitie op en zei tegen hem dat de politie de mensen met de huizen met de lichten moest bekeuren en een hoge boete opleggen omdat die haar beleid ondermijnden.

Haar collega, kort geleden uitgeroepen door de parlementaire pers tot ‘de Politicus van het Jaar’, en die werd geroemd om zijn mooie, droge humor, was even met stomheid geslagen, maar na enige seconden begreep hij wat hem te doen stond. Hij moest een denkbeeldige arm om haar schouders leggen. Hij rechtte z’n rug: "Berg je dossiers op en ga wat vroeger naar huis," adviseerde hij. "Het is Heilige Avond. Dat is de avond voor de eerste kerstdag," lichtte hij toe. "Bij mij thuis ontsteken we de kaarsjes in de boom, en we gaan naar de nachtdienst." De minister had niet veel tijd nodig om zijn raad op te volgen. Ze stapte in haar dienstauto en haar chauffeur gaf zachtjes gas. Eenmaal op de snelweg ging het hard. De minister sloot haar ogen en dommelde een beetje weg. Overal zag ze huizen met lichten waar uitgeprocedeerde uitwijkers op afdromden. Ze wilden aanbellen, maar alle deuren vlogen open nog voordat ze hun vinger hadden kunnen uitstrekken naar de knop. Overal openden zich armen en handen trokken de mensen naar binnen. Een uitzonderlijke en warm aandoende gastvrijheid die haar pijnlijk buitensloot. Niet alleen buitensloot, erger nog, tegen haar gericht was. Ze werd met een schok wakker uit deze nachtmerrie toen ze het portier van de auto hoorde dichtslaan. De chauffeur stond onder de geopende motorkap te sleutelen aan iets. De benzinetoevoer was verstopt. Iets met de carburator. "Het zal wel even duren," zei hij. Ze sliep weer in. Nu strompelde ze in haar droom over een smalle weg door een besneeuwd bos. Aan het einde van de weg stond een huis. Er brandde licht voor het raam. Zou ze durven aanbellen? Lieten ze haar hier binnen? Ze belde aan. Ze werd enthousiast begroet. Ze werd meteen herkend. Binnen zat de kamer vol mensen, vermoedelijk uit een nabijgelegen uitwijk-centrum, hoopte ze. Ze dorst de vraag niet te stellen, maar ze vroeg het toch: "Zijn jullie uitgeprocedeerd?" Er viel een stilte. "Alsjeblieft," zei de minister met zachte stem, "laat me hier even rusten. Ik ben moe en ik heb het koud." Een man uit de Kongo en een vrouw uit Iran schikten een eindje op: "Kom hier zitten, minister. Je bent net op tijd want we gaan de kerstboomkaarsen aansteken." Ze streken lucifers af en hielden de ontvlamde zwavelkoppen bij de pitten van de kaarsen, die daarop zacht knetterend ontbrandden. De gastvrouw nam een klaargelegd boek van een tafeltje en las voor over een vluchtelingenkind. Het werd geboren onder het toeziend oog van een os en een ezel omdat er nergens anders plaats was. Maar boven de plek waar het kind op stro lag stond een onnatuurlijk grote ster te stralen.

II.

De minister schrok wakker. Ze keek aan tegen het achterhoofd van haar chauffeur. De auto reed weer. De droom van het huis met de kerstboom en de vluchtelingen (ja, vluchtelingen) waar ze zo gastvrij was verwelkomd, benevelde haar gedachten alsof ze aangeschoten  was. Ze kon een tijdje niet loskomen van het verhaal dat bij de kerstboom was voorgelezen. In haar hoofd dreunde een zin na die bij haar was opgekomen. Echo uit haar jeugd. Een leraar op school die zijn lessen begon en afsloot met altijd dezelfde versregel: "De vossen hebben holen en de vogels hebben een nest, maar de zoon van mensen heeft geen plek om zijn hoofd neer te leggen." Eigenaardigheid van die man vond de klas. Daar stond je als scholier niet bij stil. Zij niet tenminste. Van een gegeven uitleg kon ze zich niets herinneren. Uitgerekend die regel hield haar ineens geweldig bezig. Massa’s mensen hebben geen plek om hun hoofd neer te leggen. Je hoeft de televisie maar aan te zetten. Overal stromen vluchtelingen. Nergens kunnen ze heen. Ja in kampen kunnen ze terecht.  ’s Nachts slapen in tenten of onder de blote hemel met miljarden sterren boven het hoofd. "Ieder mens zijn eigen asterisk."  Wat een vreemde gedachten.  Ze voelde naar haar tas die naast haar op de bank stond en ging wat rechter op zitten. "Allemaal mooi en aardig,  maar het was haar taak als minister om de stromen richting Kleibuitersland in te dammen.’ Ze haalde een ferme hand door haar korte zwarte haar ( met enkele lichte strepen, dat verzachtte), schudde flink haar hoofd als om de bedrading in haar hersens recht te leggen, trok haar schouders naar achteren en keek verlangend uit het raampje toen, zonder geluid, de glanzend zwarte ministeriële dienstauto voor de deur van haar huis tot stilstand kwam. De voordeur vloog open (net als in haar droom) maar nu waren het geen onbekenden die haar naar binnentrokken, maar man en kinderen stormden op haar afroepend: "Waar bleef je zo lang?". Zij was – hoe kwam dat ineens – onverklaarbaar blij met hen het warme en verlichte huis binnen te gaan. Ze trokken haar naar de bank, waar ze met een gevoel van grote opluchting neerplofte en het glas wijn ‘dank’ prevelend, aanpakte. Ze had het merkwaardige gevoel dat ze twee keer was thuisgekomen deze avond, deze verwarrende –  heilige had de collega van Justitie gezegd – avond. 

Later, iedereen was naar bed, zat ze op de bank, wijnfles voor zich op tafel. De gedachten van daarnet zoemden in haar kop als lastige bromvliegen. Van haar lijfspreuk ‘niet linksom, niet rechtsom maar recht door’ leek  weinig te kloppen. Het ‘ ijzer’ dat men haar toeschreef als grondhouding (een compliment vond ze: zij deed wat ze moest doen) klonk opeens als een verwijt, een veroordeling. Ze kreeg het gevoel dat ze ‘dingen recht moest zetten’. ‘Het moet anders,’ zei een stem binnen in haar tamelijk luid. ‘ Rechters moeten opdracht krijgen niet langer marginaal te toetsen maar inhoudelijk te kijken.De politiek mag niet zegevieren over de rechtspraak. Rechters mogen in asielzaken geen spreekmeesters zijn van de overheid.’  Als ze eerlijk was moest ze erkennen dat uitwijkers geen schijn van kans hebben in beroepszaken. Het recht van de vreemdeling is een papieren tijger. Je kan als advocaat praten als brugman… Vreemd eigenlijk dat de advocaten van uitwijkers nog hun werk doen. Het groepje wordt wel kleiner. Weinig eer aan te behalen. Vreemde beroepsgroep eigenlijk. Fungeert als een geweten. Een grijpstuiver krijgen ze er voor. Pure formaliteit het hele gedoe. Ze greep naar het glas. Dit soort getob was niets voor haar. Maar ze kon dit type overpeinzing niet tegenhouden. Het vreemdelingenrecht was een lege huls. ‘Ouders en kinderen hoop op  toekomst geven, ‘  zeurde het stemmetje.’ Niet zoveel mogelijk uitwijzen maar zo min mogelijk. De uitwijkers die al jarenlang in procedure zitten terugsturen is onmenselijk en legt de schaduw van medeplichtigheid over het hele land. Dat prachtige kleibuitersland zoals zij het kende. Bewees ze het soms een slechte dienst. En wat kon zij  er aan veranderen? Ze nam een slok wijn. Lag een wending binnen haar macht? Kon zij het beleid naar menselijkheid ombuigen?’  Haar ogen werden wazig. Ze begon in zichzelf met licht dikke tong te prevelen: ‘  Zwaar …   verregende … roos  velden …  vol … op schietende … op geschoten  koren …  bloemen … elke … buiten af uit …  wijker een klap een klap roosss …’ Het hoofd van de minister zakte naar haar borst.  Ze sliep, droomloos.

One thought on “Kleibuiters Klimkruiers & Uitwijkers: een kerstverhaal

  1. Het spijt me maar ik heb uw bericht niet gevonden. Er staat: Vasalom zegt:

    De ruimte die volgt is leeg. Misschien kunt u uw reactie nogmaal verzenden.

Comments are closed.