Dicht op de huid

Via Daniël, magiër die de geheimen van het web doorgrondt, kwam het ervan om de door hem onder ‘favorieten’ geselecteerde sites eens te bekijken. Zo klikte ik op het maandblad Streven en vond een artikel van de hand van Joris Gerits over Roos is een bloem, januari 1998. En zo gebeurde het  – verteltrant sprookje –  dat ik precies zeven jaar na datum van verschijnen, zijn bespreking las in de sectie ‘Podium’ van dat blad. Alsof na een copieus diner van diverse aansprekende en minder aansprekende gerechten een niet meer tegemoet geziene, voortreffelijke sigaar wordt gepresenteerd. 

Emily Dickinson

Joris Gerits  staat meteen in het begin van zijn bespreking stil bij het gedicht ‘Emily Dickinson’ uit Roos is een bloem, het poëtische credo van deze dichteres dat hij aan het poëtische credo van de bundel verbindt. Om daarna te constateren dat de verzen veel minder aan formele dwang en bewuste talige ingrepen ontsnappen dan het gedicht suggereert. En hij laat zien waarom dat zo is. Het is vervolgens interessant dat hij kort op de mythe Emily Dickinson ingaat en in het notenapparaat bijzondere informatie geeft over deze 19e eeuwse Amerikaanse dichteres van wie verzameld werk in nieuwe vertalingen zojuist is verschenen, respectievelijk van Peter Versteegh1 en Lucienne Stassaert2. In zijn  notities gist Gerits er naar of de omslagillustratie van de bundel, ‘een bloemenmeisje van Goya in een wit kleedje’ en de titel Roos is een bloem, een verband hebben met Emily Dickinson, altijd in het wit, en haar sterk metaforische poëzie.

 Wat me treft in deze poëziebeschouwing is dat Gerits de bundel dicht op de huid zit. Hij doet dat onder meer door te verwijzen naar de kennis die de taal en de woorden bijbrengen. En hij doet verslag van zijn lectuur. Daarbij viel zijn keuze op enkele niet aandacht trekkende gedichten.Gedichten waar je als auteur zelf ‘iets’ mee hebt. Bijvoorbeeld ‘Tuin’, ‘Schrift’ en ‘Reizigers’. Gedichten die zich beginnen prijs te geven door zijn behandeling ervan. Of misschien moet ik zeggen dat ze de aandacht krijgen, die ze nodig hebben om te kunnen floreren.

scherp op taal

Het werk van de criticus heeft idealiter betekenis voor beide categorieën, de lezer en de dichter. Ik wil hier betogen dat een beschouwing die ‘goed’ is voor de dichter, goed is voor de lezer. Het omgekeerde is alleen het geval indien lezer en schrijver gelijkgeschakeld zijn voor wat betreft het belang dat beiden hebben bij een goede recensie. Dat wil zeggen een kritische beoordeling die autonoom is, scherp op taal.  Vergelijk twee regels die qua betekenis en verwoording sterk op mekaar lijken, bijvoorbeeld A thing of beauty is a constant joy en A thing of beauty is a joy for ever  (Keats’ beroemde regel) waarvan de Franse poëzie deskundige Henry Bremond beweerde dat bij gelijkblijvende betekenis de ene regel poëtisch gezien superieur is aan de andere. Bij nader beschouwen blijkt dat de superieure regel iets anders betekent dan de mindere regel. Op grond van een taal analyse kan men de ongrijpbaar geachte poëtische zeggingskracht binnen het formuleerbare trekken. Wat is het verschil tussen een ‘constante vreugde’ en een ‘vreugde voor altijd’? Een  constante vreugde kan worden onderbroken. Maar  een vreugde voor altijd doet zich voor op elk ogenblik dat het object van die vreugde – A thing of beauty – in zicht is. Een constante vreugde is een indifferente staat waarin men niets voelt. In de frasering  ‘A joy for ever’ wordt steeds opnieuw enthousiasme en vervoering gewekt door een ‘ding van schoonheid’. Een groot kunstenaar wordt vergeten en herontdekt ( Mendelssohn herontdekte Bach) en meteen verschaft de uitvoering van zijn werk weer vreugde. De betekenis van  ‘een constante vreugde’ of ‘een vreugde voor altijd’ maakt een wereld van verschil. En de stelling van Bremond dat bij ‘gelijke betekenis de ene regel superieur is aan de andere’, komt hiermee op losse schroeven te staan. De betere regel blijkt een rijkere betekenis te hebben. Om poëzie goed te beoordelen zal een criticus hier oog voor hebben.

goede kritiek

‘Een kritiek is goed wanneer die de dichter bevredigt,’  waag ik te stellen. Het is in feite een voorrecht voor de dichter om te lezen wat gedegen literaire kritiek over zijn werk heeft op te merken. Hoedanigheden ontdekken, die hij zelf niet kan opsporen en benoemen maar die, dankzij de beoordeling van de criticus, door hem worden herkend. Ik heb een sterk vermoeden dat wanneer een kritische beschouwing van zijn werk de dichter als de maker van dat werk, voldoening geeft – en dat is iets anders dan blij zijn met een positieve recensie – , zo’n beoordeling ook altijd belangwekkend is voor de lezer.   

 


Noten

1 Emily Dickinson: Gedichten 1, Van Oorschot.

2 Emily Dickinson: Goedemorgen –Middernacht – Uitgeverij Prometheus