Overvloed

Ik lees in de boekenbijlage van mijn avondkrant dat Hans Groenewegen essays heeft geschreven waarin hij bijna veertig Nederlandse poëziebundels bespreekt ‘met te weinig oogkleppen’. De recensent heeft zich overigens zo ingeleefd in de opstelling van Groenewegen, die al interpreterend zijn eigen aannames fileert teneinde zo min mogelijk door eigen vooroordelen te worden gehinderd, dat zij aan het eind van haar stuk tot de conclusie komt dat zij, als zij dichter was, het fantastisch zou vinden om door Hans Groenewegen te worden besproken. Het is opmerkelijk dat de bundel van Groenewegen ‘Overvloed’ tot titel heeft. Hoe hij dat bedoelt kan ik alleen maar raden. Voor mij heeft het de betekenis van de overvloed aan gedichtenbundels die verschijnen. Dat geldt trouwens ook voor romans en andere boeken. De schaarse boekhandels waarin men in donkerbruine lambrisering en armleunstoelen tevreden wegzakt om zich in een uit de eikenhouten wandkast genomen, of door de boekhandelaar aanbevolen boek te verdiepen, zijn kleine halogeen verlichte snoeppaleizen van het gedrukte woord geworden. Verkoophuizen van de boekenindustrie die op volle toeren draait. Je stapt ergens binnen en je loopt meteen tegen een berg boeken op die als een immense roomtaart van de grond hoog opgetast ter consumptie wordt aangeboden. Een of andere bestseller die, dat lijkt wel de boodschap, men moet slikken of anders stikken. Gisteravond kwam een vriendin langs. Zij had zich in de boekhandel om het hooggebergte Japin heen weten te werken, en was door irritatie over de opdringerigheid zo overmand dat haar de kracht ontbrak om waarvoor zij kwam, een bescheiden uitgaafje van een in vergetelheid verzonken auteur in een of andere uithoekige nis van het Jamin paleis te achterhalen. Ze had zich omgedraaid en had het pand verlaten.

bestsellers

Menno Ter Braak

De commerciële wellust in de boekenindustrie is overigens een historisch verschijnsel, ja niet uit de tijd waarin bestsellers geen enkele rol speelden, zoals in de tijd van Vondel. Maar in 1939 bijvoorbeeld heerste er ontevredenheid in de kring van uitgevers en boekhandelaren omdat er 2000 romans in vijf jaar tijd waren verschenen.Volgens het dagblad De Telegraaf klaagden uitgevers en boekhandelaren over ‘ongezonde toestanden op de boekenmarkt’. Het aantal uitgegeven romans1 moet anno 2006 een veelvoud zijn van dat aantal. Het is aardig om zich de vraag te stellen of deze klacht vandaag hetzelfde antwoord uitlokt als in 1939. Ik raadpleeg de criticus en essayist Menno Ter Braak die in een artikel van 26 maart van dat jaar ingaat op de kwestie. Hij richt zich op de  pogingen van een in De Telegraaf geïnterviewde bekende uitgever (wiens naam niet wordt genoemd “want een deel zijner uitgaven is beslist beter dan zijn theorieën en per slot van rekening gaat het hier om zakelijke inzichten. Tenminste: daarom behoort het te gaan”) “om commerciële maatstaven op te dringen aan de geest, die dan op zijn beurt de commerciële maatstaven nog een beetje standing mag geven.” Een verfoeid tussenstandpunt waarmee de uitgever de keuze tussen twee eerlijke mogelijkheden vervalst. Ter Braak beticht de uitgever daarbij overigens niet van opzettelijkheid.  De ‘eerlijke mogelijkheden’ die Ter Braak voorstaat zijn ten eerste: De uitgever schaft zich ‘commerciële’ auteurs aan, die schrijven wat de uitgever het beste acht om voor hen tweeën kapitalen te verdienen. En ten tweede: De uitgever geeft uit wat hem wordt aangeboden door onafhankelijke auteurs en wacht af wat de resultaten zijn. Alles wat daartussen in ligt komt neer op het sparen van de kool en de geit. Schrijft iemand bijvoorbeeld helder en eenvoudig om zijn 50 mille vol te maken en per se voor verfilming in aanmerking te kunnen komen ( ) alsook voor vertalingen in drie of vier talen dan is zo’n schrijver een leverancier van leesstof, dienend om de tijd te verdrijven, dan is hij een ‘commercieel’ auteur die noch met Homerus noch met Vondel hoeft te worden vergeleken; wij weten ook zonder dat wel wat wij aan hem hebben.” De uitgever echter, die zakelijke dingen strikt zakelijk beschouwt en dus de bestseller auteur met een genegen blik aanziet, zal het niet op een akkoordje gooien en het commerciële door de geest flatteren en de geest door het commerciële verkoopbaar wil maken." Deze begripsverwarring, " schrijft Ter Braak, “is het allerongezondste voor de boekenmarkt.”  Wanneer de boekenmarkt dus wordt overstroomd moet de uitgever de enige juiste conclusie trekken en constateren dat er ‘een menigte seizoen- en prulschrijvers’ rondwandelt en dat de uitgevers graag een gokje wagen om een ‘bestseller’ te verwerven (tien spierinkjes uitwerpen om één kabeljauw te vangen)’."

de geest

In hoeverre deze criteria en analyse vandaag nog opgeld doen is een vraag die ik alleen als lezer kan benaderen. Tegenwoordig kan je geen krant openslaan of je ziet, meestal op de voorpagina, kleine advertenties die vermelden hoeveel exemplaren van een bepaald boek van een schrijver zijn verkocht. “ Al 100.000 exemplaren ,” juicht de uitgever. Of: “Nu al de vijfde druk!” En in de toptienlijsten wordt de populariteit van een schrijver door plaatsvermelding in de lucht gehouden. Hoe kun je als lezer en als consument nu weten of je met ‘commercieel leesvoer’ te maken hebt of met ‘de geest’; en hoe kun je aan de indruk ontkomen dat alle bestsellers lezenswaardige boeken zijn? Wat is er aan de hand met boeken waarvoor geen reclame wordt gemaakt. Behoren die tot de categorie ‘onafhankelijke auteur’, waarbij de uitgever moet afwachten wat de resultaten zijn, en dus promotie achterwege laat? Kan hij zich voor zo’n beleid verantwoorden door te wijzen op de culturele taak van de uitgever en het feit dat hij ook geld moet verdienen? Ter Braak stelt: “Het ganse bedrijf wordt tot in zijn onderdelen zozeer tot een commerciële onderneming gemaakt dat er geen plaats meer overblijft voor de culturele functie, die van oudsher eigen is geweest aan de uitgeverij”. Hoeveel uitgeverijen en boekhandels zullen zich anno 2006 hier in herkennen?  Ik heb geen onderzoek gedaan, ik ga er van uit dat elke zichzelf respecterende uitgeverij streeft naar een financieel gezond beleid, waarbij ze haar best doet om haar culturele functie niet te verwaarlozen. Maar ik denk tegelijkertijd dat schrijvers, uitgevers, boekverkopers en lezers in zekere zin slachtoffer van elkaar zijn. De uitgever kijkt naar de verkoopcijfers, de boekhandel ook en de lezer koopt wat hem wordt voorgeschoteld. Het is aan deskundige en kritische geesten, zoals essayist en criticus Menno Ter Braak dat in zijn tijd deed, eventuele  begripsverwarring te ontrafelen, een pleidooi te voeren voor de culturele functie van de uitgevers, en hen aan te moedigen commerciële projecten duidelijk te onderscheiden van wat ter Braak aanduidt als ‘de geest’.

de lezer

Misschien wordt het Jamin paleis van het gedrukte woord dan weer gewoon boekhandel met een zakelijke leider en een bevlogen boekhandelaar. Iemand die liefde heeft voor het boek, leest wat hij verkoopt en eigen aanbevelingen doet. Dan mogen we als lezer (niet als consument) zoeken in de kasten en van de inhoud proeven van het gekozen boek. Niet omdat we bezig gehouden willen worden door de stof van een bestseller over welks stapel we haast struikelden toen we de boekenzaak binnenkwamen, maar omdat we geconfronteerd willen worden met inhoud.  Als we een boek hebben gekocht gaan we naar huis, een leeslamp bij een luie stoel in gedachte, of gewoon lekker op de bank, om vrij te nemen van de realiteit die we kennen door een auteur te lezen, die als een Alice in Wonderland de werkelijkheid achter het spiegelbeeld verkent. De auteur die ons verleidt een andere wereld binnen te dringen. Geest verrijkend. Wat kunnen oplagecijfers ons dan schelen? Niets toch. 


Noten

1 In 1997, het meest recente jaar waarover de cijfers beschikbaar zijn, werden 17.235 boeken uitgebracht. Op litterair gebied verschenen 994 nieuwe titels, waarvan 291 romans en 388 vertaalde romans; 36 toneelstukken; 96 litteraire essays; 183 poëziebundels ( www.speurwerk.nl )