Tafelgenoten en kathedralen

Om onze lange tafel beweegt het gesprek onrustig langs glazen en borden; iedere disgenoot strooit aroma op het onderwerp van de conversatie. Soms dwalen woorden af en beginnen een onderhoud met mekaar. Een ieder steekt kaarsjes op voor de eigen heilig verklaarde denkbeelden, uitgestald voor gezamenlijke bezichtiging. Waar licht op wordt gezet is schaduw te vinden.

Ik denk terug aan het silhouet op de muur schuin achter het beeld van de heilige Thérèse, met het kind Jezus, in het duister van een zijkapel in de kathedraal van Reims dat ik dwaas genoeg probeerde te fotograferen. Schaduw bestaat bij de gratie van licht. En licht was er weinig. Waxinelichtjes beefden en trilden, soms achter rood glas, in alle vier van de zes domkerken die wij in Noord-Frankrijk bekeken. Vlammetjes, die de bezoeker tegen betaling de inklinkende schemer instuurt  als dwaallichten tussen de kolossale pilaren, die de duizelingwekkende ruimte van het schip ophouden en de blik omhoog trekt. Al gauw zochten mijn ogen een rustpunt in de  vuurkring van onrustig brandende kaarsen, opgestoken voor aan de hemel gewijde beelden op sokkels. Maar de schaduwen beklemden niet minder.

kathedraal van Reims

Zelfs in de kathedraal van Reims met de ramen uit 1974 van de joodse kunstenaar Chagall, die Oud-en Nieuw Testamentische verhalen vat in het magistrale blauw van de Middeleeuwen, ontkom ik niet aan de trekkracht van de dood. De enerverende pracht van Chagalls schepping, de spirituele expressie in de omhoogstrevende architectuur, die aarde en hemel verdeelt in werelds en geestelijk leven, ontdoet de basiliek  niet van de sfeer van een gigantische graftombe. Als de februarizon  door de kathedraalvensters breekt, is het alsof via een hoofdschakelaar een reusachtige elektrische lamp kort aan en uit wordt gedaan. Het fletse licht herinnert aan warmte. In deze omgeving peilt men de vergankelijkheid op aarde waar de dood heerst. De gestorven koningen en kerkvorsten onder de gewelven, in de alkoven en zijmuren bijgezet , leven nog generaties lang voort in de praal van hun graven. Mogelijk symboliseren de ramen, hoog in de muren aangebracht nadat de bogen hun dragende functie hebben overgenomen, de doortocht van het hemelse licht naar het ondermaanse, waar zelfzucht en het streven naar macht en aanzien de dood belichamen. Het dichte woud van brandende kaarsen in deze duisternis wappert alle kanten uit alsof ze in een grillige, rondwervelende wind, nu eens vanaf de noordkant, dan weer vanuit de oostelijke windrichting, worden aangeblazen.

roze cyclaam

De tafelgenoot rechts van mij zegt dat alles in roomskatholieke bastions hem interesseert: “Een feest voor het oog al die beelden, bogen en gebrandschilderde ramen in de nauwe vensters geperst.” Als een blanco bladzijde, een tabula rasa, voelt hij de punt van de pen over het onbeschreven papier glijden. Hij staat open, ontvankelijk voor wat op deze wereld aan schoons en belangwekkends is te zien. Hem bevangt geen wrevel of verwachting, die de belevenis van schoonheid schaadt. Hij ervaart geen tegenstrijdige gevoelens. Zijn gemoed maakt een seismogram van de trillingen die de vele impressies veroorzaken. Ons gesprek voert van de ene nis naar de andere, de ene kleine in schaduwen verborgen kapel naar de naastgelegen andere. Een keer treffen we aan de voet van de Heilige Maagd en haar Kind een pot met roze cyclaam. Iemand heeft die neergezet, een ontwapenende geste. Tussen al dit steen een bloeiende bloem, een tere cyclaam. Iemand heeft die plant uitgezocht, in een pot gedaan, water gegeven. ”De natuur verlicht de gotische hemel,” mompel ik in zijn richting.

Als een bos verknoopte draden hangen de gespreksfragmenten boven de dis. De volgorde van de gerechten ligt echter vast. Dat geeft sturing aan de avond. Zelfs het slot van het nagerecht, eerst weg gewuifd, later alsnog aanvaard – bosvruchten met kokosmelk en lange vingers – kan niet worden gemist, een beslissende stap naar de afronding van de maaltijd en het einde van de avond hoewel die, wat mij betreft, daarmee nog niet is afgelopen.

kathedraal van Rouen

Als de gasten zijn vertrokken blijkt een onzichtbare gast  aanwezig te zijn. Zij heeft zich tijdens het tafelgesprek losgemaakt van de gedrukte bladzijden van Flauberts roman, die bij verschijnen in 1857 een schandaal veroorzaakte. Emma Bovary, die van de kerkbaljuw in de kathedraal van Rouen een rondleiding aanvaardt om overgave aan haar groeiende passie voor de jonge klerk Léon uit te stellen, vraagt om aandacht. Zij zweeft boven de tafel met de vuile borden en glazen en eist mijn aandacht.  Ik zoek ‘Madame Bovary’ voor haar op in de boekenkast, en vind de passage waarin haar zwakke worsteling met zichzelf tegen de verleiding zo subliem wordt beschreven.

Toen wij, van Orléans komende, voor de kathedraal stonden was het gebouw uit voorzorg gesloten. Het woei te hard (eerder was een  van de beide torens in een storm door het dak heengestort) ik prevelde een ‘godzijdank’ voor deze genade. Hierdoor konden wij onze aandacht verleggen en het ouderlijk huis van Gustave Flaubert, vastgebouwd aan het ziekenhuis waar zijn vader chirurg was geweest, bezoeken. Zo bevonden wij ons op die koude natte middag in plaats van in de kathedraal van Rouen, in een kamer voor het bed waarop Gustavs moeder van hem was bevallen. De opgezette papegaai ( bij leven altijd dicht bij Gustavs schrijvende hand op zijn werktafel te vinden)  was op een tafeltje tussen de beide, op de weg uitziende ramen, geplaatst. Daarachter ergens school de kathedraal die een verheven, maar aan  zwakte bezwijkende rol speelt in Flauberts eerste grote roman. Emma Bovary streeft aangrijpend en tragisch naar het onbereikbare, onstuitbaar afkoersend op een afgrond van verderf en dood. Haar man, een plattelands dokter, ontredderd, sterft korte tijd later; haar dochtertje, verwaarloosd, blijft ontheemd achter. Geniaal dat Flaubert de kathedraal van Rouen in het leven van Emma een rol laat spelen. De symboliek ervan is treffend. De kathedraal als zinnebeeld van de tweeslachtigheid in de menselijke ziel. Het is een onverwacht gezichtspunt. Ik wil Emma bedanken. Maar mijn gast is vertrokken.

Zij stond op en toen zij zich gereedmaakten te vertrekken, kwam de kerkbaljuw haastig op hen af en zei: ‘Mevrouw is zeker niet van hier? Verlangt mevrouw de bezienswaardigheden van de kerk te bezichtigen?’ ‘Ach neen!’ riep de klerk uit. ‘ Waarom niet?’ hernam zij. Want met  haar wankelende deugd klampte zij zich vast aan de Heilige Maagd, aan de beeldhouwwerken, de graftomben, aan elke gelegenheid.

Om alles regelmatig te doen verlopen, leidde de koster hen toen naar de ingang, bij het plein, waar hij hun met zijn stok een grote kring aanwees van zwarte tegels zonder inscriptie of versiering. ‘Ziehier,’ zei hij allergewichtigst, ‘de omtrek van de schone klok van Amboise. Zij woog veertigduizend pond. Haarsgelijke vindt men in heel Europa niet. De werkman, die haar gegoten heeft, is van vreugde gestorven…’ ‘Laten wij toch heengaan,’ zei Léon.  *

   

*1968 Contact, Amsterdam, vertaling J.C.Kelk