De impliciete betekenis

De dichter duikt wanhopig onder in dromen waarvan hij weet dat zij niet bestaan. Hij zingt ondertussen van onze ziel en van alle overeenkom-stige en hemelse indrukken, die in ons sinds de vroegste tijden liggen opgeslagen, en, in het aangezicht van het Niets dat de waarheid is, verkondigt hij deze roemvolle leugen.
Een zuiverder betekenis geven aan de woorden van de stam.

(1) Het gedicht van Nijhoff is een fabel en daarvan mag worden aangenomen dat zij als allegoriea een impliciete betekenis heeft. Het is een zinnebeeldig verhaal en staat ergens voor. Met in dit gedicht de kernvraag: wie zijn de ‘wij’?

(2) Het ligt voor de hand het gedicht te lezen als een beschrijving van een aanval op de moder-nistische poëzie, en vooral op die van Mallarméb. Het is alleen al voldoende diens inzichten in grote lijnen weer te geven om te constateren hoe sterk deze parallel lopen met de inhoud van ‘Het lied der dwaze bijen’.
Naar de opvatting van Mallarmé streeft de dichter met een welhaast ziekelijke drang naar vol-maaktheid en zuiverheid (‘maladie d’idéalité’). In een pure poëzie zoekt hij naar de meest volko-men taal, een taal van zuivere tekens (‘signes pures’) die in staat is de ware namen uit te spreken (Igitur). ‘In denken en dichten van Mallarmé heersen pure essenties, onaantastbare grootheden in maagdelijke volkomenheid. Zij zijn volkomen intact, onaangeroerd en onbesmet. Zo moet ook de taal zijn waarin zij bestaan (S.Dresden)’.
Mallarmé omschrijft deze zoektocht als een esoterische, hallucinerende reis vol verlangen naar ‘sterreverre glans en een diamanten werkelijkheid’ (Hérodiade), een verlangen dat is gekoppeld aan diepe begeerte naar de dood. Dit in het vooruitzicht van een alleen maar maagdelijke, ijzige werkelijkheid hoog in het azuur: wit, stil en absoluut, los van het lichaam, dat van onnut en droevig is. Een onbereikbare wereld, vooral ook omdat op de dichterlijke tocht het puur witte, onbeschre-ven blad moet worden ontwijd, ontmaagd.

Het is geen toeval dat Mallarmé zich zo regelmatig uitlaat over de blanke bladzijde (‘page blanche’) of de maagdelijke bladzijde (‘page vierge’). Hij wordt, ook in sommige gedichten, gefascineerd door de witte bladzijde die (nog) niet door inkt besmeurd is. Men zal begrijpen waarom: wit symboliseert onge-twijfeld afwezigheid en het Nietsc, het gedicht dat er niet is; wordt het geschreven, dan houdt dat een aantasting en in zekere zin een aanranding in van de bladzijde die maagdelijk was. Op die wijze kunnen niet alleen absoluut en zuiver gelijk worden gesteld, ook wit en maagdelijk behoren daarbij. Gelijk dat toegaat in de ijswereld of het azuur van Mallarmé spiegelen zij elkaar ononderbroken (S.Dresden).

In het gedicht van Nijhoff wordt de tocht van de bijen beschreven in begrippen die vaak uit de het basis-vocabulair (‘de oertekst’)d van Mallarmée komen: azuur, wit, koud, (puur), (hemel), reis, vlucht, dood. De bijen zijn in extase op weg gegaan naar een azuren, bevroren wereld, waaruit zij later als maagdelijke sneeuwvlokken terugvallen, bevrijd van de last van hun lichaamf.

(3) Wie zijn nu de bijen? Er zijn twee voor de hand liggende oplossingen die bovendien in elkaars verlengde liggen: Nijhoff heeft de activiteiten van de modernistische dichters op het oog en/of hun poëtisch woordgebruik.
Het is mogelijk de bijen te zien als de sekte van modernistische dichters op weg naar een abso-lute, puur poëtische wereldg. Deze maakt zich op de woordeloze roep vanuit een onnoembare en suggestieve wereld los van het leven van alledag en zoekt in extase en op een vergeestelijkte manier haar weg. Op een tocht naar een voortdurend wijkend, onbereikbaar ideaal. Haar lot: ver-killing en verstarring.
Denkbaar is ook dat de bijen de personificatie zijn van de woorden van de dichter, zoals de ge-dachten het zijn in het gedicht van Dèr Mouwh. Woorden worden ontdaan van hun alledaagse betekenis, geladen met suggestie en evocatie, gezuiverd en geslepen tot, zoals Benjamin het formuleert, kristallen constructiesi. Woorden als glinsteringen, als sneeuwvlokken: helder door-schenen, maagdelijk wit, maar ook ‘losgezongen van hun betekenissen (Nijhoff)’j.

Welke oplossing men ook kiestk, duidelijk is het dat het modernisme wordt afgewezen als een dwaas, roekeloos en betreurenswaardig avontuur dat de dichtkunst verstart en uit het leven wegrukt. l m n


NOTEN

a Als het waar is dat de analytische richting de allegorie gebruikt en de synthetische het symbool (Charles Molesworth), rekent Nijhoff hier af met de diepe, ondoorgrondelijke en symbolische poëzie die kenmerkend is voor modernisten als Mallarmé. Dit zou ook kunnen blijken uit het gegeven dat Nijhoff in dit gedicht weinig of geen gebruik maakt van metaforen. Ook deze hebben de neiging poëzie in het gebied van het ‘onnoembare’ en ‘onuitsprekelijke’ te trekken.
b In de jaren ’24 en ’25 houdt Nijhoff zich in zijn kritisch werk bezig met Mallarmé. Zo wordt hij uitdrukkelijk genoemd in verband met de poëzie van Leopold, een poëzie die door Nijhoff wordt geïnterpreteerd in modernistische termen. Een kenmerkende trek van het modernisme is dat het kunst ziet als een eigen, afgesloten wereld met zijn eigen uitdrukkingsmogelijkheden en -vormen: l’art pour l’art.

Bij sommige dichters is hun natuur omgezet in een poëtisch leven, hun beelden hebben zo weinig terugslag op het leven waaruit zij ontleend zijn, maar tevens zoveel dwingende kracht van werkelijkheid in de dichterlijke wereld waarin zij betekenissen zijn van allerhoogste aanduidingen, dat men wel moet aannemen met grote dichters te doen te hebben, maar hun het eigengerechtigd gebruik van voor algemeen nut veronderstelde woorden en zinswendingen als duistere onverstaanbaarheid aanrekent; in plaats van in te zien, dat zulk een dichter iets te zeggen heeft, waarvoor woorden te kort zouden schieten, indien zij niet versterkt en verhevigd werden door de vorm van zijn poëzie, die dus verre van de woorden voor de lezer onbegrijpelijk te maken hen voor de dichter uitsprekelijk doet zijn. Zulk een dichter noemt men een "poète pour les poètes".


Zo’n dichter is ook Mallarmé.

Nijhoffs eerste twee bundels zijn vanuit deze kunstzinnige instelling geschreven. Dit betekent dat hij naast een synthetische ook een analytische benadering van zijn gedichten noodzakelijk vindt.

De lezer, het publiek, waardeert het liefst de poëzie als bloei, als een uit het leven opbloesemend uiterst gewas, het gedicht vrij als een vrucht in de lucht, als een ding gerijpt en rond, samenvattend in zijn voltooide vorm de gecondenseerde en vruchtbaar gebleven groeikracht; en men wil eerst nà de vruchten de boom kennen, de dichter, geplant op een aarde waar wij allen wonen en hem dan niet zien als iets nog weer aparts, als een oer-zaak der oorzaken, maar slechts als de natuurlijke aanleiding van zijn gevolgen; voor hen schrijft hij als hij geschreven heeft. De dichters lezen de dichter anders. Zij houden ervan de dichter achter de gedichten te lezen. Zij zoeken bij de wortels der poëzie en lezen de vruchten als daaruit voortgekomen en min of meer overeenkomstig gebleven laatste stadia; voor hem schreef hij reeds vóór hij schrijft. En deze elementaire dichterlijkheid is voor hen van de grootste waarde, en hetgeen zij uitspreekt, is daarvan de bevestiging.


Dat Nijhoff niet denkt aan de persoon van de dichter en zijn psychologie, maar aan de dichter als dichter blijkt uit zijn reactie op Van Eycks analyse van ‘Vormen’ wanneer hij zich afvraagt of Van Eyck na zijn vivisectie van Nijhoffs psyche wel aan de poëzie zelf is toegekomen.
c Claes benadrukt dat Mallarmé een grote voorkeur heeft voor woorden die een ontkenning inhouden, afwezigheid suggereren en vernietiging uitdrukken. In het gedicht van Nijhoff vind je dezelfde tendens.
d Misschien wel de eerste die op het belang van de ‘oertekst’ heeft gewezen is Baudelaire: ‘Om de ziel van een schrijver te doorzien moet je in zijn werk die woorden opzoeken die het meeste voorkomen. Het woord verraadt waardoor hij wordt geobsedeerd.’
e Nijhoff spreekt van Mallarmé als ‘de Pool-reiziger naar het poëtisch-absolute’ (1924).
f Nijhoff schrijft zelf over Mallarmé: ‘Wie bij het verklaren Mallarmé blijft staan bij het beginsel dat hier het woord, als reëel ding, de scheppende kern der gedachte was en dat de syntaxis als een magische alchemie deze elementen in werking stelde, heeft nog niet het geheim van zijn duistere poëzie begrepen en gezien wat Mallarmé zeggen wilde, toen hij een geïntensiveerde sym-boliek weder tot een werkelijkheids-visie omzette en zich daarmee schiep een eigen mythologie: de zwaan, het azuur, het ijs, waarmee zijn bewustzijn zich als het ware uitzette en uitdrukkingsmiddelen vond voor een heelal, dat anders een vacuüm zou zijn geweest.’
Naar vorm en woordgebruik maakt de modernistische dichter zich los van het gebruik van alledaagse, ‘journalistieke’ taal en  gebruikt hij neologismen en anachronismen, met hun vaagheid en traagheid om zo zijn eigen, ‘meerzinnige’ betekenissen  te ontwikkelen.
g Het ontwijkend teken (strofe 6): dit doet sterk denken aan de gedaante van afwezigheid, die zo’n belangrijke rol speelt in het werk van Mallarmé. Dresden: ‘Dan is er wel sprake van woorden ./. , maar tegelijkertijd zijn die er ook niet, want er heeft immers een ‘vernietiging’ plaats gevonden.  ./.  De werkelijkheid wordt door toedoen van de taal afwezig gemaakt en treden woorden, die leegte zijn, ervoor in de plaats.’
h Uit een opmerking uit 1924 blijkt dat Nijhoff het werk van Dèr Mouw (goed) kent. Het gedicht van Nijhoff is dan een variatie én commentaar op het gedicht van Dèr Mouw.
i ‘De woorden zijn in de poëzie van Mallarmé edelstenen, zij schitteren van essenties. Men spreekt daarom terecht van kristallen verzen’ (Celen).   → 10.6.3 3: de bevroren rozen.
j Wellek: ‘Het dichtwerk, in Mallarmé’s termen het Boek, zweeft over de Leegte, het stille goddeloze Niets. Poëzie wordt vastberaden afgesneden van de concrete werkelijkheid, van zijn oude betrokkenheid met de nabootsing van de natuur, van de uitdrukking van de persoonlijkheid van de dichter, van iedere retoriek van emotie, en wordt alleen maar een Teken, dat Niets betekent.’
k De vraag of het gedicht zich ook richt tegen de poëzie van Eliot, waarmee Nijhoff zich (aanvankelijk) sterk verwant voelde, komt in deze interpretatie niet aan de orde, maar is zeker de moeite van het onderzoeken waard.
l ‘Het lied der dwaze bijen’ staat in de dichtbundel ‘Nieuwe Gedichten’, waarin Nijhoff zich afwendt van zijn modernistische wijze van dichten uit ‘Vormen’ en een nieuwe, meer alledaagse stijl ontwikkelt. Met dit gedicht, dat naar zijn opzet in ‘Vormen’ thuishoort, rekent hij af met zijn dichterlijk verleden.
m  Wenseleer wijst op de invloed die Andersens  ‘De sneeuwkoningin’ op Nijhoff kan hebben gehad. Omdat sneeuw in dit sprookje wordt gelijkgesteld aan het intellect, is het mogelijk ‘Het lied der dwaze bijen’ te interpreteren als een aanval op het intellectualisme dat het modernisme, en dan vooral de poëzie van Mallarmé, kenmerkt.
n  Dat de dwaasheid van de bijen vanuit een feministisch-deconstructivistische kritiek ook heel anders kan worden uitgelegd, ligt voor de hand. Maar deze onderneming valt met haar onderzoek naar de symptomatische betekenis onder het hoofdje inter-pretatie als constructie (? Exc.XXXVIII.2) en daarmee buiten de opzet van dit boek. Bij zo’n aanpak kan men denken aan de uitleg die Lévi-Strauss geeft van het begrip honing als analogie van menstruatiebloed. (? 10.15..2.1n). Dit dan in verband mret de zucht naar reinheid, zuiverheid en maagdelijkheid die de darren losrukt van het vertrouwde vrouwelijke leven. Met de bijen-koningin als bron van alle vruchtbaarheid.

Geef een reactie