De tweede en derde strofe

INHOUD

 

1

De tweede strofe neemt in het gedicht een opvallende plaats in: haar metrum is uitzonderlijk en volkomen tegendraads, maar ook spannend (T2,R2,T2,T3), zij heeft de minste korte en de meeste lange klinkers, een van haar regels (6) heeft de minste, een andere (8) de meeste letters, zij heeft bovendien de meeste één-lettergrepige woorden. Naar opbouw is de strofe dus zeer informatief en dringt zich sterk op.

De metrische verandering weerspiegelt de inhoud: het verhaal wordt in II/III afgebroken, en er volgen een uitleg van en een aanvulling op dat wat er in 1 is vertelda.

2

De geur gaat gepaard met een zacht zoemend geluidb, dat meesleept en verleidt. Het noemt de dingen niet bij naamc, maar werkt op een vage, suggestieve manier, zoals geliefden elkaar zacht en zwijgend kunnen roepen en lokkend.

Het niet-noemen kan niet worden omschreven in termen van irrationele, archaïsche of prelogische communicatie. Het ligt meer in de lijn van ‘niet-benoemen’ en daarmee van ‘ondefinieerbaar’, ‘suggestief ‘ : het geeft geen betekenis, maar roept haar op. ‘Je moet niet proberen het ongrijpbare te benoemen. Het is een kleur, een temperatuur, de wind die je voelt. Als je het benoemt, krijgt het betekenis ("wordt het symbolisch") en alledaags (Krysztof Kieslowski)’.

3 a

Azuur is een beladen term. Zij staat symbool voor zuiverheid en reinheid, bezit als kleur de neiging te wijken en wordt als koud ervaren. Het zoemen ligt in dit blauw bevroren (‘ bevrozen’): in de.vorm van bevroren rozen. Met het oog op 2 en 12 ligt de associatie met ijsbloemen voor de hand.
Bitterheid, koude en hardheid strijden met de zachte verleidelijkheid van het zoemen en de zoete bijsmaak van hemels blauwe en van rozen (‘a-zuur’= zoet).

De regels 5 en 6 hebben een grote evocatieve kracht. Geluid, geur, kleur, voelen, vorm en smaak worden samengevoegd tot één diepere beleving, die niet in woorden is te vatten.

3 b

In de derde strofe wordt het duidelijk aan welke verleiding de bijen blootstaan: een mysterieuze wereld wacht ze, als zij de moed kunnen opbrengen het goede, aardse leven op te geven. Maar moed is overmoed, dat laat het gedicht nu al blijken: de juistheid van de titel wordt hier voor het eerst bevestigd. Uit het ach klinken ontgoocheling, spijt en verwijt door.

Tuin en woning (4) zijn culturele verworvenheden, zij verwijzen naar meer dan een hard, ‘ natuurlijk’ bestaan, zij bieden comfort en ontspanning. En juist deze wereld moeten de bijen opgeven.

4

In de derde strofe zijn de eerste en derde regel niet gelijk aan elkaar: raden wordt vervangen door roepen. ‘Roepen’ heeft een dwingender karakter dan ‘raden’. Dit blijkt ook uit de syntaxis (‘raden’ wordt gekoppeld aan een medewerkend voorwerp, ‘roepen’ aan een lijdend voorwerp) en uit de fonologie: de d is stemhebbend en wordt slapper gearticuleerd dan de p, die stemhebbend is en meer accent krijgt. De aandrang wordt groter. Raden is als verbale activiteit in tegenspraak met de boven gegeven uitleg van ‘niet-noemen’: raden is wel verbaal en informatief. Dit kan inhouden dat aan ‘niet-noemen’ een tweede betekenis moet worden toegekend: iets in het vage houden, iets niet onomwonden willen mededelen, in raadselen spreken. Dit past bij het ‘raadselige’ van de rozenf. ‘Raadselig’g, zelf verwijst bovendien terug naar ‘ried’.

5

De werkwoorden aanraden en roepen geven aan dat de bijen zelf kunnen beslissen of zij zich wensen over te geven aan de bedwelmende invloed van de binnendringende geur. Lang niet iedereen laat zich dan ook verleiden: een groot deel van het volk blijft achter (IV). Toch ligt er geen vrijheid ten grondslag aan de beslissing van de groep om te vertrekken. Hun gedrag is louter passief: zij laten zich meelokken en als kudde voortdrijven, zij worden ontvoerd (26), zelfs het zwerven wordt hun ontnomen (26), tenslotte vallen zij als sneeuwvlokken neer: onpersoonlijker kan het niet.h


NOTEN
a dit wel met de restrictie dat de afwisseling van A en R niet betekent dat de inhoud per regel metrisch wordt versterkt of ondersteund. Integendeel, men zou een jambisch metrum verwachten bij het stijgen van de bijen en het dalend ritme van dactyli en trocheeën bij hun thuiskomst, maardatgebeurt niet. De structuur, dat blijkt ook in dit gedicht, geeft geen algemene, objectieve informatie over de (dichterlijke) werkelijkheid.
b In de tweede strofe staat een prachtig voorbeeld van klanknabootsing (‘onomatopee’): het zoerngeluid van bijen, in strips vaak gevisualiseerd met ‘zzzz’, wordt letterlijk nagebootst door een zesvoudig gebruik van de z (met een drievoudige naklank in strofe 111).
c De gelijkstelling van ‘zacht zoemen’ en ‘niet-noemen’ wordt benadrukt door rijm, isometrie en alliteratie.
d Bijen communiceren met elkaar via een kwispeldans over de richting die moet worden gevolgd bij het zoeken van het voedsel en via een gonzend geluid -dat niet wordt gehoord, maar gevoeld- over de afstand die moet worden afgelegd. Op deze wijze geven zij elkaar dus informatie door (‘noemen’). Het gonzend geluid dat bijen maken heeft voor hen geen bijzondere betekenis. Dit geldt blijkbaar niet voor het zachte zoemgeluid dat de hogere geur begeleidt en dat een sterke suggestieve uitwerking heeft (het’niet noe- men’).
e een wolkenloze hemel is voor bijen een levensvoorwaarde. Wolken houden de ultra-violette stralen tegen, en juist die nemen zij bij uitstek waar.
f De roos is binnen de westerse traditie vaak het symbool van sex, erotiek en liefde . Zo reeds in de middeleeuwse ‘Roman de la Rose’. Dit in tegenstelling tot de zuiver christelijke traditie waar zij staat voor maagdelijkheid en zij verwijst naar Maria (-afb.1 0.55).
g Om ‘raadselig’ op te splitsen in ‘raad’ en ‘selig’ (Du: ‘gelukkig’) ligt binnen de context voor de hand, maar is ook gekunsteld. N ijhoff zelf zou deze uitleg waarschijnlijk hebben toegelaten.
h Het gebruik van veel passieve persoonsvormen, zoals in dit gedicht, wijst volgens Lotr@nan opeen onpersoonlijke, passieve gedrags- wijze.

Geef een reactie