De vierde strofe

INHOUD

 

1

En dan de tocht!

De opbouw van de strofen via de herhaling van de eerste regel en de verbinding van de strofen onderling via het rijm geven het gedicht vaarta: er wordt een voortgang gesuggereerd. Het gedicht wordt voortgestuwd, voortgedreven en krijgt iets bezwerends (iets dat door de vele anaforen, alliteraties en assonanties wordt versterkt). Volgens Vestdijk resulteert het voortschrijdende en cyclische principe in een schroefbeweging ‘die voor het moeizaam stijgen der dwaze bijen zeer typerend schijnt. Bovendien brengt de herhaling van de beginregels der strofen iets koppigsb en troosteloos in het gedicht, iets van een sombere extase, als van wezens die zich ten dode hebben gewijd’. Een uitleg die Fens te mooi en te vernuftig vindt om waar te zijnc.
De strofe wordt via het ver verbonden met de regels 2 en 4 en wijst vooruit naar 20, 25, 27. ‘Naar’ verbindt 12 via 14 met 24. ‘Voortgedreven’wijst terug naar het’verdreven’ uit 4 en laat weinig over van een persoonlijke inbreng.d

2

Het verre avontuur lokt. De groep ondergaat het jubelend. Dit extatische gedrag staat in scherp contrast met het emotionele, maar ook afstandelijke ‘ach’ uit III.

Het bezwerende en extatische karakter van de strofe wordt versterkt door het ontbreken van de komrna, door de plaats (en de klank) van het ‘jubelend’ en door het gebruik van het werkwoord (voort)dfrijven.

3

Het is duidelijk dat de groep in vervoering wordt meegesleept en zich geen rekenschap geeft van dat wat zij doet, hoewel ze wel beseft dat ze alles achterlaat: volk en leven.

Meer nog dan woningen en tuinen zijn het leven en werken binnen de groep (‘volk en leven’ ) de essentie van het bestaan: hier vindt men geborgenheid en saamhorigheid. Zonder deze binding zijn de bijen levend dood. En omdat de groep (‘wij’) zich overmoedig van de gemeenschap isoleert, is de dreiging van een naderend onheil groot.


NOTEN
a Dante past in zijn ‘La Divina Commedia’eenzelfde soort rijmschema toe: abalbebledc. Bij hem ontbreekt Nijhoffs herhaling van de eerste regel binnen de strofe, wat voor zo’n lang gedicht ook wel erg steriel zou zijn geworden. Dante’s gedicht gaat over een mystieke tocht, een reis van bewustwording, van zuivering en loutering met als doel de visio Dei, het zien van God als het alles- omvattende licht der wereld.
b Het gedicht heeft ook in andere opzichten iets drammerigs: het herhalen van’steeds'(!),’ont-‘, ‘ver(-),’naar’en’sneeuwt’,gesteund door’het herhaald(!) niet-noernen’ en inhoudelijk door’het zachte zoemen’.
c Fens oppert zelf het idee dat de verdubbeling van de regels wijst op de aanwezigheid van twee koren, die om de beurt twee regels declameren. Een uitleg die op zijn beurt nogal gekunsteld overkomt.
d In klankkieur vormt deze strofe een wending: van de ‘aardse’, ‘warme’ klanken aa en oe, naar ee en ij (in bv sneeuw en ijs) met hun hemels, koude connotatie (- 10.14.4).

Geef een reactie