Interpretatie

1. De intrinsieke betekenis

(0) Na analyse en exegese de interpretatie. Je probeert te achterhalen wat de intrinsieke betekenis is van het gedicht, welke visie er naar voren komt. Deze interpretatie staat los van waardering.

(1) In een oeroud, klassiek beelda worden hemel en aarde, het verhevene en het laag bij de grondse, het vreemde en alledaagse tegenover elkaar gezet. Het idyllische, aardse leven van een bijenvolk wordt beschreven in termen van bloemen en honing, tuinen en woningen. Een blij en warmbloedig bestaan dat wordt bedreigd door een hogere macht: een zoete geur, vergezeld van een suggestief, woordenloos zoemen dringt vanuit een kille, mysterieuze wereld de natuur binnen, doordringt haar geheel en bedreigt het gewone bestaan.

(2) Deze macht doet meer: zij roept op tot een ander leven. Een groep geeft gevolg aan deze oproep en vertrekt. Zij verlaat haar volk en onderneemt een gevaarlijk tocht omhoog. Maar waarom? Fascinatie voor de dood? Lijden aan tijd en vergankelijkheid? Ascese? Verlangen naar verstilling en zuiverheid? Al deze aspecten liggen in het gedicht opgesloten. Dit zou betekenen dat de bijen plotseling worden gedreven door een mystieke intuïtie. De zachte lokroep van omhoog wordt geassocieerd met het azuur als symbool van het spirituele en als kleur van de levensangst én met de witte roos als teken van de dood en van het ideale leven.b Azuur en witte roos zijn beide het symbool van zuiverheid.

‘Ik heb het azuur nodig om mystiek te ontdekken’, schrijft de schilder Broothaers in de lijn van bv Van Gogh (→ 10.24.3F) en Yves Klein (→ 10.20.2). Door de roep van het hoge, woordeloze zoemen krijgen de bijen oog voor de diepere dimensie van deze kleur en koppelen haar aan witte, raadselige rozen, witte rozen die bijen in het gewone leven niet kunnen zien, zoals mensen het ultraviolet niet kunnen waarnemen: zij liggen onzichtbaar in de trillende hemel verscholen. Zij zijn het ontwijkend teken dat in een wijkende hemel niet zichtbaar wordt en onbereikbaar blijft.

(3) De tocht van de bijen wordt beschreven in termen die bedrieglijk dicht bij die van het occul-tisme liggenc,d. Dit roept op tot een Hogere Verlichting, die kan worden bereikt via de intuïtie (het ‘niet-noemen’). De dood wordt beschouwd als een overgang van de dagelijkse, lichamelijke werke-lijkheid naar het astrale gebied, waarin het astrale lichaam -een lichaam van ‘fijnstoffelijke’ aard- voortbestaat. Het etherische ‘doorschenen’ en de verijling van het lichaam als glinstering passen goed in dit beeld van het astrale ‘als ijlere, snellere trillingsvorm van het stoffelijke (Nel Noordzij)’. De bijen zijn zuivere energie geworden. Het ‘wij zijn gestorven’ betekent dat zij hun aardse lichaam hebben afgelegd en dat zij nu voortbestaan in een nieuw lichaam.
Tegen deze occultistische interpretatie pleit de koude dood, het idee dat de zielen als sneeuw-vlokken willoos naar de aarde vallen en daar ten dode gedoemd lijken te zijn. Op dit punt neemt het gedicht een eigen wendinge.

(4) Het is beter de dwaasheid en overmoed van de bijen niet specifiek te zoeken in een religieus-mystieke vlucht, maar meer in het algemeen in de neiging zich los te maken van de aarde en zich in dodelijke vervoering te laten meeslepen naar een verkilde, puur vergeestelijkte en abstracte wereldf.
Leef je leven hier op aarde te midden van je volk en aanvaard hartstocht en dood die daar een deel van zijn. Juist de weg omhoog loopt dood, ontneemt je je persoonlijkheid en vertroebelt je kijk op de werkelijkheid. De kleur azuur geeft gebrek aan werkelijkheidszin aan, wit een gebrek aan warmte, sneeuw verwijst naar stagnatie en dood. De tocht van de bijen is een vorm van desinte-gratie, zij vervreemdt hen van het goede, gezonde, lijfelijke leven. Het verhaal erover laat een bittere nasmaak achterg.

Bevreemdend is dat de bijen niet uit existentiële motieven vertrekken -hun leven is geen lijden-, ook heeft hun tocht niets tragisch -wel iets treurigs-, zelfs kan men niet zeggen dat zij zich pathologisch gedragen. Nee, zij zijn domweg dwaas! En dat is misschien wel het ergste.


a De hemel is het gebied van het Heilige en Goddelijke, zij representeert de kosmische wet (Kristensen, Éliade). Plato plaatst het zielenspan met zijn menner in de Hemel, waar het zijn tochten maakt langs de hemelse gewelven.
Een belangwekkende kritiek, waarin de tegenstelling ‘hoog/laag’ centraal staat, kan men vinden bij Van Dijk naar aanleiding van Luceberts Orfeus.
b Ook in Dante’s ‘Paradiso’ wordt gesproken van een lichtkleurige, geurende roos: ‘(In) het geel van de eeuwige roos, die zich uitbreidt, trap voor trap, en geur uitademt, Geur van de lof tot de Zon, die lente maakt voor eeuwig’. Hebben de bijen zo’n belofte in het zoemen gehoord, een belofte van geluk, van vrede en een actief, gloedvol paradijselijk bestaan? Dan komen zij bedrogen uit: niet de gele, maar de witte, bevroren roos wordt het teken waaronder zij reizen. Over een witte roos wordt in Canto XXXI gesproken:  ‘In de vorm dus van een sneeuwwitte roos  toonde zich mij de hemelse heirschare’ , de door Christus verloste gelovigen. Maar ook op deze plaats ontbreekt, ondanks de verwijzing naar sneeuw, juist de ijzige vrieskou, die het gedicht van Nijhoff aan het einde zo beheerst.
c Bijen zijn binnen de westerse traditie symbool voor de ziel.
d Het occultisme verenigt Indische wijsheid en westerse gnosis, parapsychologie, alchemie en magie in één verborgen heilsleer. Bekende stromingen erbinnen zijn de Rozenkruisers, de Vrijmetselaars, de theosofie (Blavatsky) en de antroposofie (R.Steiner). Voor  ‘New Age’  is  het occultisme het fundament van doen en beleven. Wetenschappelijk wordt vaak een beroep gedaan op Goethe, filosofisch op Plotinus, psychologisch op Jung. Het occultisme heeft grote invloed uitgeoefend op het modernisme (Mallarmé, Schönberg, Kandinsky, Mondriaan).
e Dit gedicht kan indirect worden beschouwd als een verwijt aan de dichter Nijhoff, die in eerder werk een sterke levensangst en doodsdrang etaleert: ‘Er is een zuiverheid van de dood, die reeds in het leven begint ("Liedje")’. Een visie die men ook  terugvindt in gedichten als "Het derde land", "Kinderkruistocht" en "Tweeërlei dood" uit de gedichtenbundel Vormen  (→ 10.17.2.3n).
f ‘Puur’ komt niet voor in het gedicht, het is een begrip dat je bij het lezen voortdurend mist, maar dat wel indirect wordt meegegeven door het woord azuur. Dit rijmt op puur en draagt traditioneel de betekenis puur in zich, zoals ook sneeuw wordt geassocieerd met zuiverheid. Het is een kenmerk van dichterlijke taal op zo’n manier nieuwe, suggestieve betekenissen op te roepen (Principe van afwezigheid).
g Dit alles zonder de intrinsieke betekenis geheel vast te leggen. Juist de onbepaaldheid kenmerkt dichterlijke taal en inhoud. Een volledige vertaling of omzetting in de codes van alledag is niet mogelijk (→ 10.38.7).

Geef een reactie