Moerheim 1944

Onder het rabarberblad vandaan,
gebukt gelopen tot op de vrijverrand,
de moestuin met de drukte
van schoffelen en vallende slakjes
achter me –dan was ik ver van huis.

Huis aan de vaart
waar de ingekwartierde vijand
laarzen dragt –maar banger was ik
voor de kelur van kikkers in de kleur
van plompeblad en kleine pad, die
in zijn bruin pak over voeten schoot:
hun kloppende kelen en die van mij.

Daarbuiten groeiden rozen en Russen
knielden wiedend in het aardbeibed.
Zij zouden kunnen delen
in het geheim
van de tot vuist geklemde kinderhand,
het afgeknipte stukje parachute
van zijde. –Als je een vriend
en geen vijand in de buurt zag lopen,
vouwde je voorzichtig
twee vingers open.