II

Zij leeft in ’t afgelegen, mistig land
Dat ik verliet de wereld om te varen;
Zij woont er nog, ik weet het zeker, want 
Een sterke vrede was de hare.

Het maakte haar niet neerslachtig dat de weiden
Groen waren, lente, zomer, herfst en winter.
Zij werkte, en wist altijd iets te vinden
Dat ’t grijs bestaan tot een rein wonder wijdde.

Zelfs op het kleine kerkhof zat zij graag,
Er stond een bank onder het schrale loover,
Achter een schrompelende wilgenhaag
Bijna vergeten door den zomer.

Daar kon ze soms ‘s avonds na het dagwerk toeven,
Zag van haar boek, ’t liefst een dat zij al kende,
de wolken trekken over molens, hoeven,
Tot de avondzon haar weer aan huis deed denken.

Daar wilde ik vóór haar staan, als uit haar droomen
Overgegaan in een warm, waar verhaal.
Maar zij zou mij van verre zien komen:
Het lage land ligt tot den einder kaal.

(Via Leeskring Harmelen)

Een gedachte over “II

  1. Nog een reactie vanuit onze leeskring op een gedicht van Slauerhoff. Na Brief in een flesch gevonden , De terugkeer. Daarin beschrijft Slauerhoff de vrouw waar hij zijn hele leven tevergeefs naar heeft verlangd, die voor hem onbereikbaar is gebleven en die zo heel anders was dan hij: ze heeft een sterke vrede over zich, houdt van een grijs bestaan, zit graag te lezen op het kerkhof in een boek dat al kent (!). Maar het warme, ware verhaal gebeurt niet, het blijft een droom. De trieste dromige Jan, die altijd blijft verlangen.

Reacties zijn gesloten.