Ararat onderaards

Ararat onderaards

We lieten de parkieten los,
verloren als we waren in
het schachtenlabyrint,
dat weergaloos begaanbaar
en gegraven door vergeten goden
voor ons klaar gelegen had.

Kwetterend verdwenen zij.
Wij voelden dat wij handelden.als eens een aartsvader.

Zij hadden stervend zullen.fluiten: leef
Zij vlogen heen,
getrokken als door een magneet.

Wij zijn nu vreemd alleen.
Zo zij zonder wederkeer en nergens
blijven zwijgen weten wij nog minder
dan voorheen. Dit is het enige
dat ons gewerd. Wij zouden minder
weten, minder dan voorheen.

Uit: Willem Jan Otten, Neuriënde mensen. .PS Poëzie [2], Schoonhoven 2000, 21 blz., f 29,50

Je komt er niet uit, dit gedicht, dit doolhof. De CV•Koers-lezers die reageerden stuitten op problemen, maar ik zelf ook. ,,Ook als ik probeer de betekenis (…) te vinden, blijf ik steken in wat vage gedachten en vermoedens”, schrijft Maria. Ararat onderaards leest als het ‘schachtenlabyrint’ waarover het gaat. Maar het is allerminst ‘weergaloos begaanbaar’. Het zit vol tegenstrijdigheden, vreemde werkwoordconstructies en vragen. Je loopt erin vast en fladdert wat rond als een parkiet op zoek naar de uitgang, de sleutel tot het geheim. Maar met die verdwaalervaring heb je als lezer al een deel van de betekenis gevonden, of liever: beleefd. Je voelt je uiteindelijk, met de woorden van de vijfde strofe, ‘vreemd alleen’.

Dit gedicht associeer je al gauw met het bijbelverhaal van de ark van Noach. En dan begint het spel van de tegenstellingen. ,,In plaats van een duif, worden hier parkieten losgelaten. Bij parkieten denk je aan druk kwebbelende diertjes. Eigenlijk een tegenpool van de vredige duif”, schrijft Maria. Leendert sluit bij dat beeld aan, met de opmerking dat parkieten – in tegenstelling tot duiven – niet terugkomen. De antwoorden blijven dus uit. Leendert schrijft: ,,Ik denk dat de dichter hier wil zeggen, dat als wij antwoorden willen vinden op de vraag waar we naartoe moeten in onze beschaving (het ‘schachtenlabyrint’), we dat antwoord nooit zullen vinden, als we het antwoord blijven zoeken binnen de middelen die de beschaving ons ter beschikking stelt.” Leendert zit dicht bij het vuur, maar de essentie mist nog, denk ik. Hoe je ook probeert te combineren, het blijft een ‘bijna, maar nog niet helemaal’.
Wie de poëzie van Willem Jan Otten kent, weet dat hij vaak aanstuurt op verwarring. Zijn gedichten zitten vol lagen. Ze moeten zo veel uitdrukken aan gevoelens en gedachten, dat ze daar soms bijna onder lijken te bezwijken. Zijn poëzie – en zeker dit gedicht – krijgt daardoor iets mystieks. Maar het negatieve effect ervan is dat het soms té hermetisch wordt. Gedichten moeten geen pasklare antwoorden geven, maar de lezer moet op de een of andere manier wél in staat zijn de essentiële link te leggen.

Mijnkanaries

Er is een uitleg die de donkere gangen van Ararat onderaards in een heel helder licht zet. De sleutel krijg ik van Hilbrand. Hij vertelt over de ‘mijnkanaries’. Zelf dacht ik bij parkieten en kanaries meteen aan de diertjes die bij opa en oma in een kooi er lustig op los zaten te zingen. Maar kanaries werden, zo schrijft Hilbrand, vroeger gebruikt in de mijn om levens te redden. Was er een gang van het ‘schachtenlabyrint’ ingestort en moesten de reddingswerkers naar beneden, dan namen ze deze vogeltjes mee in een kooitje. Zodra ergens het giftige mijngas vrijkwam, ging zo’n beestje meteen dood. De mijnwerker kon dan snel naar boven ontsnappen. Hilbrand schrijft: ,,Het ziet ernaar uit, gezien de verdere inhoud van het gedicht, dat met mijnparkieten hetzelfde wordt bedoeld. Dat brengt een gelaagdheid in dit gedicht aan, want Otten heeft ooit in een interview gezegd zijn gedichten zelf te beschouwen als zijn ‘parkieten’, vogeltjes die hij weg laat vliegen. In die zin kun je het woord ‘mijnparkieten’ opvatten als ‘mijn parkieten, mijn gedichten’.”

Zo hebben de kleine tere vogeltjes een wrede, maar mooie taak. Zij zijn in staat de mensen te beschermen tegen het gas van de dodelijke slaap. Het zijn de mijnparkieten die we hier aantreffen in het doolhof van het (geloofs)leven: de moderne variant op de ark die hoog op de top van een berg strandde.
Geloven, leven, poëzie schrijven kan ‘weergaloos’ zijn, maar tegelijk is het vaak een benauwende ervaring van onbegrepenheid en twijfel. Verdwaald in dat gangenstelsel sta je voor de keuze: de parkiet uit het kooitje laten of bij je houden. Is het één misschien een geloofsdaad en het ander een krampachtig vasthouden aan jezelf? Houd je de parkieten bij je, dan kunnen ze je waarschuwen voor de dood: ’Zij hadden stervend zullen / fluiten: leef’. Laat je de beestjes gaan, dan keren ze waarschijnlijk nooit terug. Buiten, in de vrijheid zullen ze fluiten: ’zonder wederkeer en nergens / blijven zwijgen’. Misschien dat iemand ze herkent en hun herkomst traceert, maar jij bent je grip erop kwijt.

Geloofswinst

Loslaten is van levensbelang. Dat is misschien wel de boodschap van dit gedicht. Als Noach de duif niet had laten vertrekken, had hij nooit geweten of er nog land was. Het beestje en zijn bezitter waren uiteindelijk in de ark van honger omgekomen. ’Wij voelden dat wij handelden / als eens een aartsvader’, schrijft Otten. En dat doet hij ook: als een dichter laat hij zijn verzen lezen, als een gelovige stelt hij vragen, belijdt hij zijn menselijk tekort. Je kunt het krampachtig voor jezelf proberen te houden, maar een vogel is niet bedoeld om gekooid te blijven.
Het grote verschil met de duif van Noach is dat die tot tweemaal toe terugkomt, terwijl de parkieten getrokken worden ’als door een magneet’ en niet – althans niet in dít gedicht – zullen terugkeren. ’Wij zijn nu vreemd alleen’. Niet zomaar alleen, maar vreemd alleen. Vreemd: onbegrepen door anderen, vervreemd van jezelf? De laatste zes regels hebben een bijna benauwende gelatenheid over zich. Er blijft niets over dan het tot tweemaal toe: ’minder / weten, minder dan voorheen’. Noachs duif bleef na de derde keer voorgoed weg. In het onderaardse Ararat blijft het steken bij een twee keer minder weten. Dat neemt niet weg dat de derde keer, in de toekomst nog, het antwoord kan komen.
Verlies aan wetenschap wordt hier geloofswinst. Minder weten klinkt misschien als verlies, maar het leidt in dit gedicht tot meer vertrouwen. ’Wij zouden minder / weten dan voorheen’. We moeten onze zekerheden, onze vragen, en vul maar in wat je daar wilt invullen, laten gaan. We moeten niet naast het kooitje blijven zitten met een gevoel van ‘we zullen wel zien’. Zij behoeden ons wel voor een onvoorziene dood, maar een verdwaalde mijnwerker heeft uiteindelijk ook niets aan een parkiet.
Misschien wijzen die kleine vogeltjes in dit gedicht wel op een ander land, een land waarheen ze getrokken worden en niet terugkeren. Wij hebben geen bewijzen. Onze aartsvaderlijke handeling van ‘laten gaan’, levert ons niet meer wetenschap of uitleg aan anderen op, maar wel meer geloofsvertrouwen. Wachten, dat is het enige wat ons rest.

De sleutel – het beeld van de mijnparkieten – opent veel deuren in dit gedicht. Het geeft de ‘wij’ een identiteit. De mijnwerkers nemen de lezer mee op hun tocht door het gangenstelsel. Ze vertellen hoe zij – vastgelopen? verdwaald? – de parkieten hebben losgelaten. Parkieten, signalen die je scherp houden en je beschermen tegen inslapen. Je weet wat je hebt, je dekt je in tegen gevaar. Hen loslaten is vragen om problemen, of niet? Is loslaten nou moedig of overmoedig? Je kunt dit gedicht als een ingestorte mijnschacht uitgraven, het lezen en herlezen. Maar er blijven parkieten – onbeantwoorde vragen – doorkwetteren in je hoofd. Misschien is dat wel de bedoeling.

Geef een reactie