De zuiverheid van schuilen

Dit gedicht van Anton Ent riep voornamelijk persoonlijke, geloofsgerelateerde reacties op bij de CV•Koers-lezers. De woorden van de dichter waren een vruchtbare bedding van worsteling, herkenning, bevraging. Het is niet zo heel verwonderlijk dat juist dit gedicht, meer dan andere in deze rubriek, op die manier wordt toegeëigend. Voor iedere christen klinken de eerste woorden al zo dichtbij. Maar ook de overige zinnen ademen een persoonlijke betrokkenheid.

De zuiverheid van schuilen

U bent mijn schuilplaats zing ik en ik schuil.
Toverkunst van de illusie, muziek,
genade van het woord. Maar de moed

om niét te schuilen, op te staan en tegen
de wind in over de zandvlakte
richting einder te gaan, waarom daagt

die mij uit en plaagt mij het verwijt
een lafaard te zijn als ik mij berg
in de schoot van uw woord?

Uit: Anton Ent, Vlielandse psalmen, Liter, christelijk literaire tijdschrift, nr. 19, december 2001

Korte tijd geleden kwam Anton Ent met een nieuwe bundel: Entiteiten. Hierin heeft hij 150 persoonlijke, poëtische reacties op de psalmen opgenomen, voor iedere psalm een. Wie ze leest, herkent de eigenheden van de bijbelse geloofsliederen, maar de gedichten zijn in de eerste plaats een eigen verwerking van de psalmen. Ze praten niet na, vertalen niet, maar beschrijven wat iedere psalm doet met de dichter. Zo worden ze als het ware nieuwe, eigen psalmen, geschreven met woorden en beelden uit deze tijd.
Hetzelfde geldt voor het gedicht ‘Moed’, dat deel uitmaakt van de Vlielandse psalmen die in Liter verschenen. Deze zijn, in tegenstelling tot hun soortgenoten in Entiteiten, niet zo duidelijk te koppelen aan één bepaalde psalm. Ze zijn echter even herkenbaar als ‘reactie op’. In de Vlielandse psalmen trekt de dichter zich terug op een eiland. In die omgeving van beperking en afzondering komen de centrale gevoelens die in Ents psalmen steeds opduiken, sterk geconcentreerd terug. Jaloezie die de kop op steekt: ‘Ah, het welig / bloeien van de narcis! Jaloezie steekt / de kop op want ik ben dor land’ (fragment uit: ‘In een duinpan’) De kloof tussen ‘vervulling’ en ‘vervuiling’, (zie: ‘Grind’), de keuze tussen ‘het heilige van dit voorjaar’ en ‘de akoestiek van de kou’ (fragment uit ‘Le sacre du printemps’). En tenslotte in het laatste gedicht, ‘Moed’, een probleem naar psalm 91: de strijd tussen het zo menselijke verzet en de genade van het schuilen.

Veilige plaats

De eerste regel ligt gemakkelijk in het gehoor. Vooral het tweede deel ervan: ‘zing ik en ik schuil’. Bijna een vanzelfsprekendheid. Stap een: je zingt over dat hoge, een schuilplaats bij God. Stap twee (logisch gevolg): je schuilt. Maar gaat het zo gemakkelijk? Is zo’n ‘psalm’ inderdaad ‘toverkunst van de illusie, muziek /genade van het woord’? De eerste strofe komt op de lezer wel een beetje kritisch en verwarrend over. Alsof het maar een kunstje is, alsof die door velen zo gekoesterde schuilplaats slechts bestaat bij de gratie van de ‘genade van het woord’. Bescherming die je jezelf toedicht of zingt, die ontstaat als hij opgeroepen wordt, maar niet buiten de taal. Deze regels zetten stil bij het gemak waarmee je je soms bedient van de psalmen. Ent wijst de lezer op wat hij zelf in een interview ,,de wanverhouding tussen wat je zegt en wat je doet” noemt. Weten wat je zegt, weten wat je, zo automatisch vaak, zingt.
Toch werkt het wél zo: zingen is schuilen. Ook de psalmdichters deden dat. Zij hadden het vertrouwen in God vaak niet paraat, worstelden met de menselijke tegenstrijdigheden, hinkend van geloof op twijfel. ‘Ik ben de man van twee wegen’, schrijft de dichter in zijn gedicht naar aanleiding van psalm 7. En juist daarom moesten ze het steeds weer (tegen zichzelf) zeggen: ,,U bent mijn schuilplaats”. Jezelf over je eigen belemmeringen en ongeloof heen zingen. Dat is de ‘genade van het woord’.
De dichter wijst zichzelf erop dat er iets fascinerends aan de hand is met kunst, met poëzie: de woorden nemen je als het ware mee naar een veilige plaats. En zonder dat je er erg in hebt, nestel je je in hun geborgenheid.

Noodoplossing

Tegelijk worstelt Ent daarmee. Over de ik-figuur in Entiteiten zegt hij: ,,Hij wil agnosticus zijn. Hij weet niets over God. Zolang hij redeneert, is hij daarvan overtuigd. Maar zodra hij leest: ‘Bij U, Heer, schuil ik’ is er van dat agnosticisme weinig over’’. De kracht van de psalmen, en in breder perspectief de poëzie, ten voeten uit. Ents gedicht over psalm 91 sluit aan bij ‘Moed’. Het draagt de titel ‘ Abri’. Een met reclamewoorden behangen bushokje als beeld voor een schuilplaats, maar in die titel ook de tijdelijkheid ervan. Je verblijft er op doorreis. De dichter verlangt naar de geborgenheid die hij zichzelf toedicht, maar beseft tegelijkertijd het gebrekkige in ons schuilen. “Kunst is illusie, kunst is een noodoplossing.” Als je te lang over je belijdenis nadenkt, loop je alweer weg.
,,Psalmen zijn er om in te schuilen”, hoorde ik eens een predikant zeggen. Maar een schuilplaats krijgt pas betekenis als je weet wat vluchten is. Het is alsof de dichter zichzelf dwingt om te beseffen wat de zo vertrouwde psalmwoorden met een mens doen. Hij wil eerlijk zijn. De juichtoon van de psalmdichter kan de mens zo gemakkelijk overspoelen en losmaken van de werkelijkheid. Er is een andere kant en die komt al snel in dit gedicht binnen. Vanaf de laatste woorden van de eerste strofe vlucht hij weg uit de genadige schuilplaats. ‘Maar de moed / om niet te schuilen’, het gedicht barst met deze woorden los in een stroom versregels ‘tegen / de wind in’. Zo herkenbaar: de neiging om te vechten, het gevoel laf te zijn als je schuilt? Het gevoel dat het allemaal niet zo gemakkelijk gaat, dat je het liever zelf doet? Onbehagen. Zoals Lenze Bouwers het dichtte (let op de opvallende overeenkomsten met ‘Moed’):

Tegen wind in, met stuivende zandbanen
schurend langs je huid kilometers lopen,
alleen maar met je levensritme hopen
op evenwicht, de verre toekomst open

(titelloos gedicht uit: ‘De stilte van de zoeker’)

Dat is leven, dat is moed. Moed, want het kost moeite en pijn. Omwille van de zuiverheid, die de dichter wil bewaren, beproeft hij het tegendeel van wat de taal vermag. Zonder het contrast worden de mooie woorden betekenisloos. Zoals Ent in ‘Mogelijkheden’ schrijft: ‘Hier kan ik blijven, dokter, tegenover u, / maar ook door het kroondomein dwalen’.
Het is een mens niet eigen om de eerste mogelijkheid, veiligheid, te kiezen. Hij wil leven tot in het diepst van zijn wezen: het zand en het zout voelen prikken en schuren langs zijn huid. Uit alle macht tegen de wind in strompelen, vechten met de elementen. Daartoe wordt hij uitgedaagd door zijn omgeving, door zijn zichzelf. ,,Lafaard,” zegt iets in hem, ,,je maakt je er maar gemakkelijk vanaf. Wegkruipen nu er gevochten moet worden…” Verwijten die je dwingen om de zuiverheid van het schuilen te bewaren. Want een psalm van harte zingen betekent niet je verschuilen voor jezelf, vasthouden aan wat eigenlijk een illusie van valse vroomheid is.

Moedig schuilen

Het werkt ook andersom: ‘Wie toevlucht schrijft, schuilt / En wie schuilt verbaast zich over zijn vlucht.’ Wie werkelijk beseft wat schuilen is, verbaast zich over zijn ‘moedige’ tegendraadse vlucht. Lafheid en moed, twee polen die een mens aantrekken. Maar wat is moed en wat is lafheid? Is het laf om te schuilen in een psalm? Buiten de taal, buiten de kunst om, niet. Misschien kost dat zelfs wel moed, dat ‘Bij u schuil ik Heere’. Moed om jezelf over te geven, je te laten dragen waar je liever zelf je loopt. Erkennen wie je bent in contrast met die hoge heilige God. Erkennen dat mensenwoorden tekortschieten…
Maar dan begeven we ons op geloofsgebied. Wat poëzie niet vermag, gebeurt in het geloof. Daar hoef je je niet in allerlei bochten te wringen om zuiverheid te waarborgen. “Kunst is illusie, is een noodoplossing” zegt Ent en in gedichten als ‘Moed’ zet hij de kunstgenieters er weer eens bij stil. Maar het geloof dat in de psalmen ligt, is alles behalve een noodoplossing. Of toch wel…Dé oplossing voor de nood, de diepste nood van de mens.

Geef een reactie