Dichtregels als aardlagen

De bron

Het regent en ze denkt: door op deze heuvel
in dit beukenbos te staan, sta ik op neerslag
die in ongeveer tachtig jaar omlaag zakt,
op grond die traag en bestendig
de weerslag van onze activiteit beheert:
het zure, het lood en de polychloren.

Ze vraagt zich af of het naïef is te menen
dat het nog steeds kan: dat in het water
zakkend langs keutels, botten en houtrot,
zakkend langs het gebrokene,
het zure verzacht wordt en dat het lood.wordt afgezet langs de paden
van de schimmeldraden. Het is iets
dat ze niet ziet, iets dat ze goed noemt,
stevig genoeg om te lopen
Ze daalt af en zoekt het lek in de heuvel,
zoekt de plaats waar een geluid ontstaat;
de risteling die ze nu het regent niet hoort.

Uit: Marijke Hanegraaf, Veerstraat, Uitgeverij .De Arbeiderspers, Amsterdam, 61 blz.

Je hoeft geen bioloog te zijn om de bodemgesteldheid van een heuvel te onderzoeken. Je hoeft geen poëziecriticus te zijn om in een gedicht als ‘De Bron’ af te dalen. Maar je moet wel door woorden als ‘lood’ en ‘polychloren’ en raadselachtige begrippen als een ‘lek in de heuvel’ heen. Marijke Hanegraaf verbindt in dit gedicht menselijke gevoelens en gedachten met een ogenschijnlijk onpoëtisch onderwerp als milieuvervuiling. .Ik begin aan de afdaling. Het eerste dat opvalt is de vorm: een langgerekt gedicht dat bestaat uit laagjes. Bij een gedicht als dit besef je opnieuw dat al die witregels ook betekenis hebben: om te rusten, om in te vullen of een woord uit te stellen. Maar wie het gedicht hardop voorleest, ontdekt vooral dat de tweeregelige laagjes meestal vloeiend in elkaar overlopen, aan elkaar haken. Als aardlagen die op elkaar rusten en samen een stevige ondergrond voor de betekenis vormen.
Let op de soberheid van de eerste zin: ‘Het regent en ze denkt’. Er gebeurt iets en er is iemand die denkt. Een constatering, maar wel een diepe. Want uit het vervolg wordt duidelijk dat de regen en het denken veel met elkaar gemeen hebben. Beide overstemmen andere geluiden, andere gedachten, beide dalen: de regen in de aarde, het denken in een gedachtegang (beeldend woord trouwens), diep in het hart. De vrouw in dit gedicht ziet opeens de overeenkomst tussen wat zich in een mens afspeelt – herinneringen – en in de natuur. Maar ze zegt dat niet expliciet. Ze beschrijft gewoon het proces en daarmee zegt ze genoeg. Goede poëzie zegt meestal genoeg, zelden te weinig of te veel. .De neerslag bezinkt. Dat gaat langzaam, ‘ongeveer tachtig jaar’ doet de regen over de reis. Afdaling in ‘grond die traag en bestendig / de weerslag van onze activiteit beheert’. Met deze woorden sluipt het negatieve het gedicht binnen. Hier komt ook de mens erbij: de grond beheert de weerslag (in deze context weer zo’n zorgvuldig gekozen woord) van ‘onze activiteit’. Deze regen is het gevolg van onze activiteit, dat stromende water om de vrouw heen is niet zo mooi en zuiver als het lijkt. Het moet beheerd worden door geduldige grond (‘traag en bestendig’). Tijd, veel tijd, gaat eroverheen voor ‘onze activiteit’ eruit is gezuiverd: tachtig jaar, de leeftijd van de zeer sterken.

Ze denkt, aan haar leven misschien? Aan alles wat door de jaren heen is bezonken, hoe lang duurt het voor alle het kwade is afgebroken? Als dat tenminste kan. Een mensenleven lang.

Verzachten

De kern van het gedicht ligt in ‘het zure, het lood en de polychloren’, de bestandsdelen van de regen. Zelfs als je niet exact weet waaruit die stoffen bestaan, maken de versregels voldoende duidelijk dat het schadelijke stoffen zijn, die wij, met al onze industrie en uitstoot van gassen, aan de regen toevoegen. Je krijgt het idee dat de stoffen gerangschikt zijn op schadelijkheid. ‘Het zure’, van zure regen, kan in de zesde strofe worden ‘verzacht’. Opmerkelijk dat hier geen technisch woord wordt gebruikt, maar ‘verzacht’ – een begrip dat wordt gebruikt bij het spreken over menselijk leed, pijn, verdriet. Het slijt door de jaren heen, het wordt ‘verzacht’, de scherpe kantjes gaan er vanaf. .Dan ‘het lood’. Het klinkt zwaar en massief, maar ook dit bijproduct van verbranding (van bijvoorbeeld benzine) kan worden ‘afgezet langs de paden / van de schimmeldraden’. Het krijgt zijn plaats in de natuur. De last verdwijnt niet, maar wordt wel afgelegd. Zo wordt het zware in ons leven door parasieten, die groeien op deze stoffen, overgenomen. Vreemd: het enige duidelijke rijmmoment in dit gedicht bevindt zich hier: ‘paden’ – ‘schimmeldraden’. Schimmel heeft iets tegenstrijdigs: het heeft een negatieve klank, zelf is het een ziekteverwekker, maar het breekt wel de schadelijke stoffen af.
En de polychloren? Kunnen deze uiterst giftige stoffen ook worden verwijderd of verzacht? Of is die gedachte, zoals ‘ze’ zich in de vierde afvraagt, naïef? Over wat er met de polychloren gebeurt, lees je niets. Er is niet voor alle vervuiling in het leven een remedie. Niet alles komt goed. Niet alles is te plaatsen. In gedachten volgt de vrouw de weg van de drie stoffen de heuvel in. ‘Het is iets / dat ze niet ziet, iets dat ze goed noemt’. Een mooie regel die iets in zich heeft van vertrouwen: je moet erin geloven, hoe naïef het soms ook lijkt. Je hoeft iets niet te zien om het toch goed te kunnen noemen. Net als bij een gedicht: je voelt wel dat het ‘stevig genoeg’ is ‘om op te lopen’, maar de bestandsdelen, de chemie, zie je niet of maar ten dele.

Ritseling

De regen sijpelt: ‘zakkend langs keutels, botten en houtrot’. Opnieuw drie stoffen, maar nu veel tastbaarder. Overblijfselen van menselijke en dierlijke activiteit, samen te vatten onder ‘het gebrokene’. Staat ze misschien op een grafheuvel? En staat ze daarom zo nadrukkelijk stil bij de vergankelijkheid van het bestaan, het bederf? De geschiedenis, wat achterblijft, maakt een mens bewust van zijn bestaan. Het besef dat van alle menselijke activiteit dit overblijft: ‘het gebrokene’. Maar ook het besef dat het zo goed is: dat zure regen wordt verzacht door wat de heuvel aan afval bergt. Wondere samenwerking van dood en leven, bederf dat langs bedorven sijpelt. Samen geven ze de grond ‘stevigheid’. En met dat woord wijst ze terug naar het ‘bestendig’ uit de tweede strofe. Op die grond staat ze, loopt ze, het is haar fundament.
Aan het einde van alle ‘aardlagen’ vindt de lezer de titel van het gedicht. Het doel van de afdaling is uiteindelijk het vinden van de bron. Zoals iemand dit gedicht leest en de essentie eruit probeert te destilleren, zo daalt de vrouw af naar de plek waar het regenwater gezuiverd is. Ze zoekt naar de wel, zo mooi verwoord als ‘het lek in de heuvel’. Alle zwaarte, de opeenhoping van gif in de voorafgaande regels moet ergens kunnen ontsnappen, weg kunnen lopen. De plek waar alles opnieuw begint, ‘de plaats waar een geluid ontstaat’. Geen lawaai, maar ‘een geluid’, een ‘ritseling’. Nauwelijks hoorbaar, subtiel, de essentie zoekt ze, de oorsprong en bron. En met die laatste gedachte keert ze terug het begin: ‘De ritseling die ze nu het regent niet hoort’ verwijst naar ‘Het regent en ze denkt’. Haar gedachte is maar een ritseling, nauwelijks hoorbaar. Een druppelend geluid, overstemd door een stortvloed. Oorzaak verdrinkt in gevolg. De kringloop van de natuur, de cyclus van een mensenleven is rond.

Geef een reactie