Een hemelsblauw verdwijnpunt

‘Het wordt saai op aarde’, een grote kop in de krant. Er had in plaats van ‘saai’ ook ‘ kleurloos’ kunnen staan. Steeds meer dieren sterven uit. Veel vogels zijn al vertrokken of zullen voorgoed uit onze leefomgeving verdwijnen. Inderdaad, je schrikt er haast van als je opeens in je stadstuintje een prachtige vlaamse gaai ziet. Laat staan een ijsvogel. Dit ‘wegvliegende geheimpje’ is in de nieuwste bundel van Hilbrand Rozema het middelpunt: het BLAUW met hoofdletters te midden van de Blauwe plekken. Door middel van dit zeldzame wondertje deelt de dichter met zijn lezers een geheim dat we bijna zijn vergeten: het recept van kleur, van betekenis die achter de alledaagse dingen schuilt.

IJsvogel

(2)

De ijsvogel is een wegvliegend geheimpje.
Laat het tussen ons blijven

dat vroeger, in alle kloosters
en op alle geklopte kalfsvellen

gemalen saffier het recept
van zijn blauw was, met pigment
van purperslakken uit de Middellandse Zee.

Hemelse ruimte is dit blauw
bij middeleeuwse mystica’s, een blauw
gewonnen nota bene uit gemalen slak.

Uit een oud palet van vanitassymbolen
verschijnt als een verdwijnpunt de ijsvogel
voor al jouw angstige grijzen.

Hilbrand Rozema

Uit: Blauwe plekken, gedichten, De Arbeiderspers 2003.

Een wereld die steeds grijzer – zie de laatste regel van het gedicht – wordt, is een dankbare plek voor een dichter om in te kleuren, om te herinneren aan de symboliek van de schepping, de betekenis van kleur. Dichter en lezer trekken zich terug in een klooster van taal. Ik moest bij dit gedicht even denken aan het ‘waarom’ van het lezen. Een belangrijke reden: om een reisgenoot te hebben, of met de woorden van dit gedicht: om ‘een verdwijnpunt’ te hebben. Op zo’n leesmoment ben ik dankbaar voor ieder woord dat mij tegenkomt. Het levert soms ‘ blauwe plekken’ op, die ontmoetingen, maar ook in die andere betekenis: hemelse ruimte, geborgenheid.

Wat je leest is het eindpunt van een zoektocht en tegelijk een begin. Dit gedicht en de cyclus waarvan hij onderdeel is, maakt door de vele verwijzingen naar de wereld en de geschiedenis nieuwsgierig naar de reis die voorafging aan ‘IJsvogel’. Ik volgde enkele sporen die de dichter heeft achtergelaten: over mystiek, de betekenis van de kleur blauw, persoonlijke ontboezemingen in het christelijke literaire tijdschrift Liter.

 

Aards en hemels

Wat opvalt aan dit gedicht is het gebruik van veel verschillende zelfstandige naamwoorden; iets wat hoort bij de poëzie van Rozema. Je proeft er een fascinatie die vanuit een ontmoeting – in dit geval met de ijsvogel – uitgroeit tot nieuwsgierigheid naar meer. Er ontstaat een palet van omliggende, bijbehorende woorden: kloosters, recept, saffier, pigment, purperslak, blauw, mystica’s… We bevinden ons in de wereld van de Middeleeuwen. Een tijd waarin aards en hemels nog nauw met elkaar verbonden waren, zoals in dit gedicht: gemalen slak versus hemels blauw. Blauw was voor een middeleeuwer niet zomaar een kleur, maar een symbool. Rozema schrijft in Liter (nr. 27, 2003): ,,Voor een middeleeuwse mysticus vertelde die ene ijsvogel een heel verhaal. Het zilver van de snavel verwijst naar de kleur wit, en wit is de kleur waarin alle kleuren worden samengevat. Als zodanig verwijst het naar God de Vader. (…) De kleur die echter allereerst in je oog springt, is het blauw. Die kleur staat voor de Tweede Persoon van de Triniteit: het Mensgeworden Woord.” Als je dat bedenkt, krijgt het gedicht een extra dimensie. Hier gaat het niet over een vogel of over de kleur blauw, maar ten diepste over het Woord met een hoofdletter. De kleine vogel is een hemelse bode. Ook een boodschapper van het woord met een kleine letter: eigenlijk vertelt de ijsvogel iets over de kracht van taal, van poëzie.

De kleur blauw was in de Middeleeuwen heel kostbaar, veel kostbaarder dan goud. De grondstoffen voor blauw waren fijngemalen saffieren of purperslakken uit de – al even blauwe- Middellandse Zee. Een dure kleur dus, iets om zuinig mee om te gaan. Kunnen we daar nog iets mee in de tijd van de Gamma, waar je verdwaalt in de ontelbare kleurnuances in verfblikken? Langzamerhand raken we ons onderscheidingsvermogen kwijt en zien we die ene, specifieke kleur niet meer. Misschien zullen bepaalde kleuren zelfs helemaal uitsterven in het ‘angstig grijzen’. We kennen de authentieke recepten niet meer, we zijn gewend geraakt aan surrogaat. En dan is er opeens zo’n klein vogeltje dat ons iets in herinnering roept. Zoals Rozema in het derde gedicht van de ijsvogelcyclus schrijft: ‘In mijn eeuw fladdert ook de ijsvogel / nog even door in zijn betonnen strop / is hij het watermerk, herinnering, bevroren’.

 

Intieme ervaring

‘IJsvogel’ is een intiem gedicht. Het is Rozema gelukt een persoonlijke, spirituele ervaring zo op papier te zetten dat deze blauwdruk een nieuwe ervaring van gemeenschap oproept. Denk bijvoorbeeld aan de prachtige regel: ‘Laat het tussen ons blijven’. Sommige dingen moet je een beetje geheimhouden, koesteren. En tegelijk: van ‘ons’ verschuift het gedicht aan het slot naar een nog persoonlijker ‘jouw’. Dit woord valt op in de cyclus: het is de enige keer dat het tot een aanspreken van de lezer, mij, komt. Als een wens. Verhalen moeten verteld worden, je mag ze niet voor jezelf houden.

Van de hemelse ontmoeting met de ijsvogel keert de dichter in de laatste strofe terug op aarde: ‘een oud palet van vanitassymbolen’. Vergankelijkheid, dood, ouderdom; het palet van de schilder is er vol mee. Vanitassymbolen zie je vaak in oude kerken, op de grafmonumenten: zandlopers, doodshoofden. Uit een tijd waarin iedereen ze wist te duiden: memento mori. Maar dan ineens ‘verschijnt’ dat kleine vogeltje: felle kleuren in een sombere, regenachtige middag. In de laatste twee regels komen hemel en aarde, dood en leven, tijdelijkheid en eeuwigheid bij elkaar. Let eens op de werkwoorden: verschijnen en verdwijnen. De ijsvogel verschijnt als een verdwijnpunt. Kan dat? Hoe stel ik mij dat voor? Een verdwijnpunt komt niet naar je toe, dat is in de verte, waar de lijnen samenkomen aan de horizon, waar je niet verder kunt. Maar hier verschijnt een verdwijnpunt: tegendraads, onmogelijk eeuwig. Hier komt een woord – het Woord? – als een ontsnappingsmogelijkheid plotseling je leven binnen. Om ook weer te verdwijnen: ‘De ijsvogel maakt van zijn eigen / verdwijning een punt in de verte’ (gedicht 1 uit de cyclus). De verte… de toekomst.

Een zeldzaam moment is deze ijsvogel. Hij laat zich maar even zien. Maar dat even is genoeg. De ijsvogel is geen vogel voor proza. Hij voelt zich meer thuis in de poëzie. Genoeg aan een paar woorden. De kracht van dit gedicht, deze cyclus, is dat het een unieke, vluchtige ervaring zo verwoordt dat het gedicht zelf een hemels blauw verdwijnpunt wordt. Een mystieke ervaring die ik niet mooier kan omschrijven dan met de woorden van de dichter zelf (in Liter nr. 27, 2003): ,,Dat is genoeg: een blik door een sleutelgat. Een spionnetje in een dichte deur’’.

4.408 thoughts on “Een hemelsblauw verdwijnpunt

  1. Ik vind het gedicht te mooi voor woorden. Ik kan er met me hoofd niet bij. Het was prachtig, sfeervol, diep ontroerend en natuurlijk hartverwarmend.

    Bedankt voor dit moment van genot.

    groetjes,

    lulu

Geef een reactie