Vloek en barensnood

Het lijkt zo’n eenvoudig gedicht, dit koeiengedicht van Koos Geerds, nauwelijks poëtisch zelfs. Wat valt hier nou nog over te zeggen? Maar wie secuur leest, ontdekt hoe knap het is geschreven. En dat het over veel méér gaat dan een koe die baart.

De koe moest baren en de koe was moe,
er staken poten achter uit haar lijf
en daaraan zaten touwen en daaraan hingen wij;
maar ’t kalf bleef halverwege steken en de koe
keek telkens achterom naar dat gedoe en loeide zacht;
het was nog maar een jonge koe, het was haar eerste keer
en daarom moest ze kreunen en wij trokken weer
en met veel bloed kwam toen het kalf eruit,
dood, en ook de koe was stervende, en de boer,
hij keek van koe naar kalf, van kalf naar koe
en stond daar met gebalde vuisten, en alles vloekte,
maar hij vloekte niet.

Koos Geerds

Opgenomen in: Altijd boe – de mooiste koeiengedichten, verzameld door Rien van den Berg en Liesbeth Goedbloed, Mozaïek, Zoetermeer 2002

Wat doet een koe in de poëzie? Dat vroeg ik me af toen ik een bloemlezing met koeiengedichten opensloeg. En inderdaad, na al die gedichten waarin koeien in verschillende omstandigheden door het landschap lopen, vond ik het antwoord dat zelfs een kind zou kunnen geven. Een koe zegt ‘altijd boe’. Dat is dan ook de titel van een nieuwe bloemlezing met koeiengedichten.
Natuurlijk hoor je ze niet in ieder gedicht loeien, meestal zijn ze stil onderdeel van een landschap, staan ze als een ‘kasteel’ in de wei, de poten stevig op de grond, grazend, dromend. Maar als een koe echt een rol gaat spelen, iets terug zegt, dan loeit ze. Over dat karakteristieke geluid, klinkend onder bijzondere omstandigheden, gaat ook het naamloze gedicht van Koos Geerds, afkomstig uit de bundel Staphorst.
Voor we dit bijzondere gedicht van dichtbij bekijken, eerst een vraag: Wat moet een dichter met een koe? Waarom kom je deze plompe, nuchtere Hollandse beesten in zoveel gedichten tegen, terwijl er toch genoeg gracieuzere, elegantere dieren te vinden zijn. ,,Niet de leeuw, maar de koe is ons nationale symbool”, schrijven de samenstellers van Altijd boe. Het beest is niet weg te denken uit ons landschap. Maar toch… Als je de gedichten zo leest, vermoed je nog een andere verklaring. Zoals Gerrit Achterberg al schreef: ,,Een dichter is een koe”. Dit zware, aardse beest intrigeert de dichter, omdat het ten diepste ook iets van het dichterschap verbeeldt. Het grazen en herkauwen van gras of taal, het ondoordringbare van die ogen die je onverstoorbaar aanstaren, het allesomvattende – voedsel, leven, land, contact met de mens – van de koe roept verbondenheid en verlangen op. Ten diepste verlangen dichter en lezer bij tijd en wijle naar het eenvoudige, rustige leven van de koe.

Prozaïsche nuchterheid

Het koe-gedicht van Koos Geerds contrasteert met de vele grappige, mooie en ontroerende koeienverzen in de bundel. Het meest omdat hier niet het leven, maar de dood zo nadrukkelijk centraal staat. De afbraak begint al in de eerste regel: ‘De koe moest baren en de koe was moe’. Twee eenvoudige zinnetjes die parallel aan elkaar de tegenstelling van het hele gedicht in zich dragen: activiteit en passiviteit, moeten werken en ondergaan, dat is het leven. Dit gedicht wordt getypeerd door een prozaïsche nuchterheid, kenmerkend voor de stijl van Geerds in de bundel Staphorst. In compacte taal, eenvoudige, verhalende poëzie bracht Geerds het leven in het dorp Staphorst onder woorden. Dit titelloze gedicht is afkomstig uit die cyclus. De vrije, vertellende vorm die de dichter koos sluit aan bij die omgeving. De bevalling van een koe zou wellicht in een sonnet zou misstaan, maar past prima in deze ‘jas’.
Hoewel dit gedicht door zijn eenvoud in eerste instantie nauwelijks commentaar behoeft, blijkt het toch meer ‘poëtische trucs’ te bevatten dan je zou verwachten. Het is een kwestie van secuur lezen. Het eerste dat opvalt, is de registrerende toon van de eerste regels. Hier geen mooie beschrijving van wat er gebeurt, dat er een kalfje wordt geboren, maar gewoon: ‘er staken poten achter uit haar lijf / en daaraan zaten touwen en daaraan hingen wij’. De dichter beschrijft letterlijk wat hij ziet: geen idyllisch tafereel, maar getouwtrek om de geboorte van een kalf, zware arbeid. De camera volgt de bewegingen: van de kop van de koe naar de poten, touwen en ten slotte de mensen. Je ziet het helemaal voor je.
Maar de beweging die hij volgt, gaat traag, de zinnen zijn stroperig. Het duurt allemaal net iets te lang. Tot het gedicht halverwege stokt: ‘maar ’t kalf bleef halverwege steken en de koe’. Let vooral op dat laatste woord. Het blijft hangen, want het woord dat erbij hoort – ‘keek’ – vind je pas op de volgende regel. En bovendien: die opeenstapeling van oe-klanken geven het gedicht iets droevigs. De vermoeidheid ligt in de klanken opgesloten: ‘koe’, ‘moe’, ‘gedoe’, ‘loeide’.

Machteloosheid

Machteloosheid is het woord dat bij je opkomt als je verder leest: ‘het was nog maar een jonge koe, het was haar eerste keer’. De eenvoud van zo’n zin, de herhaling past helemaal bij een gedicht over zoiets natuurlijks als een barende koe. Het is een onderdeel van het boerenbedrijf. Tegelijk zie je hier heel subtiel dat het mis gaat. Woorden – ‘jong’, ‘eerste keer’, ‘wij trokken weer’ – zijn de voorbodes van wat er uit de koe komt: ‘bloed’ en daarna het kalf. Alleen in die volgorde…
En dan gaat het allemaal opeens heel snel: ‘dood; en ook de koe was stervende, en de boer’. De woorden buitelen over elkaar heen, terwijl het ene dier dood blijkt en het andere sterft. De nadruk ligt hier op dat ene woord: ‘dood’. Voor het eerst komt hier de mens in het gedicht in beeld. Niet alleen het dier, maar ook de mens is hier machteloos. De koe keek achterom (regel 5) en ook de boer kijkt nu, van koe naar kalf, en ‘stond daar met gebalde vuisten’. Waar het voorafgaande misschien vooral een beeldende beschrijving was van een barende koe, komt hier een diepere betekenis het gedicht binnen. Alsof in die gebalde vuisten bijbelteksten liggen opgesloten: van Genesis 3, ‘zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt’ tot Romeinen 8, ‘Want wij weten, dat het ganse schepsel tesamen zucht, en tesamen als in barensnood is tot nu toe’. Vloek en barensnood, met die woorden staat dit gedicht opeens in een veel groter verband dan het Staphorster boerenland. Deze koe in barensnood wordt het symbool van onze schuld, onmacht, medelijden, teleurstelling. Ze wordt een deel van ons leven, zelfs al hebben we nooit een bevalling van een koe gezien.
‘en alles vloekte’. Nog sterker dan de openingsregel blijft dit zinnetje in je hoofd hangen. In dit gedicht vloekt alles met elkaar. Geboorte en dood, bloed en gedoe, een koe die moe was, maar ‘moeder’ had moeten worden. Dingen die hemelsbreed van elkaar verschillen, maar slechts een moment van elkaar verwijderd zijn. Punt uit, zou je zeggen. De conclusie is een vloek.

Maar hij vloekte niet

Maar dan komt nog die sterke korte regel: ‘maar hij vloekte niet’. En met deze vondst, want dat is het, is in een keer duidelijk wat de dichter bedoelt. Deze boer zal niet vloeken. Hij is twee beesten kwijt, geboorte van een kalfje heeft de dood van een jonge koe gebracht. Hij heeft gezwoegd om de koe te helpen, maar tevergeefs, hij staat machteloos. En toch: hij vloekt niet. Geen woord komt over zijn lippen. Met die houding krijgt de man bijna net zo’n machteloosheid over zich als de koe. Met dit ene grote verschil dat de boer weet wat de koe niet weet. Maar hij beheerst zich. Hij weet dat hij zelf ook onderdeel uitmaakt van dit bestaan dat vloekt.
De koe, onderdeel van de boerenwereld, huisdier van een leven dat zich nog steeds voor een belangrijk deel afspeelt binnen de omheining van een wereld die religieuze betekenis draagt. Daarom past dit beest bij uitstek bij het thema dat in de cyclus Staphorst een hoofdrol speelt. Maar niet alleen daar, ook in de bloemlezing Altijd boe misstaat dit wat ernstige gedicht niet. Want soms hebben wij mensen een beest nodig om ons iets duidelijk te maken. En soms zegt het zachte loeien van een koe, meer dan welk mensenwoord dan ook.

Sneeuw die tot juli blijft liggen

I
Ze voelden zich onrustig, ze moesten iets
maken, nee, iets werd wakker en werkte
zich als een steen in de aarde naar boven.

Ze dachten dat ze het niet zouden kunnen
waren bang, begonnen voor tien te praten
zodat het een drukte werd van ideeën daar.

In hun ogen smeulde iets. Ze zochten
een plek van belang, een ruimte zonder apparaat
dat regels stelt, een eiland tussen zijn

en niet zijn dat toch door zijn wortels aan de rivier-
bodem werd vastgehouden, luchtig, gewichtig.
Ze luisterden als kinderen naar wenkende woorden.

Het was herfst en ze hadden de trek in de kop.

Jane Leusink

Gepubliceerd in het christelijke literaire tijdschrift Liter, nummer 21 (p.68), 2002

Geef een reactie