Zij werpen droeve netten

De gevleugelde woorden ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ worden soms te gemakkelijk geciteerd als het over poëzie gaat. Maar al te gauw ben je als lezer aan het schatgraven onder de woorden, zonder iets te vinden. Bij het lezen van ‘Een visvangst’ valt op hoe belangrijk het is te lezen wat er staat: gewone, Nederlandse woorden, bekend of minder bekend.

Een visvangst

Zij werpen droeve netten
zonder zelf droefheid
te kennen alleen vergeefse
moeite en water vrijgevig
benepen – deze nacht vangen
zij niets. Leggen lijdbaar
aan op huis.

Een vreemde ziet hen komen,
hij is de getuige de geschudde
in wie de waarheid is, zegt
opnieuw uit te varen de netten
over de andere boeg te gooien,
het wordt al ochtend.

Nu raken de netten barstensvol;
eerste kleine vissen schieten nog
niet door eerste fijnaderige scheuren
of zij roepen vol geestdrift de maten
en vullen twee schepen – tot aan
de rand stijgt het water – hoe meer
vis, hoe droever water.

Wat bestorven op de lippen ligt
verstomt.
 

 

Pem Sluijter

 

Uit: Het licht van Attika, De Arbeiderspers

Het woordenboek is daarom misschien wel een van de belangrijkste hulpmiddelen bij het poëzielezen. Daarom zocht ik ze op: ‘droef’, ‘verstommen’, ‘bestorven’, etc. Al die woorden waarvan je wel min of meer weet wat ze betekenen. Ga je ze van dichtbij bekijken, dan worden ze weer nieuw. Als een doffe ring die je oppoetst.

De charme van ‘Een visvangst’ ligt in zijn eenvoud. Het hele gedicht klinkt bijna ingehouden, alsof de schrijver bang is om te veel op te gaan in de geschiedenis die hier wordt verteld. Verteld, ja. Sluijter heeft de vorm gekozen die past bij de inhoud. Het gaat hier over een episode uit het Nieuwe Testament. In Johannes 21 wordt de verschijning van Jezus aan het meer van Tiberias ook zonder omhaal van woorden beschreven, waardoor de nadruk juist op bepaalde woorden komt te liggen. Zoals de beslissing van Simon Petrus: ,,Ik ga vissen’’. Ze voelden zich alleen gelaten, wisten zich geen raad met hun discipelschap zonder de Meester. Daarom gingen ze maar weer doen waar ze altijd goed in waren geweest: vissen. Doen.

Het is of ze de droefheid van zich af willen werpen. ,,Zij werpen droeve netten’’, schrijft Sluijter, ,,zonder zelf droefheid te kennen alleen vergeefse moeite’’. Opmerkelijk dat de droefheid hier niet verbonden wordt met ‘zij’, maar met de netten (in de eerste strofe) en het water (in de laatste strofe). Hoe verder je leest, hoe duidelijker het wordt dat het hier eigenlijk niet gaat om degenen die vissen, maar om wat er wordt gevangen. Er is geen plek voor emotie bij deze stugge, stoere vissers, maar hun gebrek aan woorden vertaalt zich in hun handelingen. De netten zijn droef, mistroostig, treurig, omdat ze leeg zijn. Ze zijn bestemd om vol te worden.

Onvermogen

Dit gedicht is vol tegenstellingen: leeg en droef tegenover blij, vergeefs tegenover succesvol, lauw tegenover geestdriftig, vrijgevig tegenover benepen. Tegenstellingen die dicht bij elkaar liggen, elkaar omarmen. Zoals het water: vrijgevig benepen. Daarmee ben je bij een van Sluijters centrale thema’s: het menselijk onvermogen. Ik citeer de flaptekst van de bundel: ‘In elke schepping ligt verval en vernietiging immers al opgesloten. Daarnaast heb je het Jeruzalem van de wetten en het besef van goed en kwaad. En tussen die twee staat de kunstenaar’.

Wat opvalt aan de eerste strofe is het ontbreken van punten en komma’s. In de eerste versregels loopt alles achter elkaar door. Als water dat niet ophoudt met stromen. Pas na het streepje komen de leestekens, om de slotsom alle nadruk te geven: ,,deze nacht vangen zij niets.’’ Bijna letterlijk een bijbelcitaat. De terugtocht wordt aanvaard: lijdbaar. Mijn gevoel zei me dat dat zoiets als lijdelijk (doffe berusting) betekent, maar ik vergiste me. Lijdbaar is ‘aan lijden onderhevig’. De netten zijn nog leeg, de vissers zijn nu ook droef gestemd.

En het kantelpunt in dit gedicht: ,,Een vreemde ziet hen komen’’. Ook hier geldt: zorgvuldig lezen! Er staat niet: zij zien een vreemde op de oever. Het perspectief is gedraaid. Nu zien we hen vanuit de vreemde. Maar hij wordt een vreemde genoemd, dus dat is weer gezien vanuit de discipelen. Het is maar vanuit welk oogpunt je het bekijkt: er is iemand die hen ziet en zij zien een vreemde; zie je de volle netten of het lege water? Misschien wordt het woord ‘vreemd’ hier ook als ‘anders’ gebruikt. Sinds Hij is opgestaan, is Hij niet meer dezelfde, is Hij veranderd: ,,hij is de getuige de geschudde in wie de waarheid is’’. Ik vind het mooi dat de dichter hier iets doet met het bijbelverhaal. Ze voegt er iets aan toe, zonder iets te zeggen wat er niet in staat. Drie dingen worden er over ‘een vreemde’ gezegd. En wat opvalt: nu wordt het woordje ‘een’ (dat Sluijter graag gebruikt) niet genoemd, maar ‘de’ gebruikt. De getuige: Hij ziet hen, Hij is de getuige van het menselijk onvermogen. Maar het gaat verder: Hij zit niet lijdelijk in het getuigenbankje, Hij is ook de geschudde. Mijn associaties bij ‘geschudde’: Hij is door elkaar gerammeld, er is aan Hem getrokken, Hij is beproefd, zoals je de netten uitschudt om alle rommel eruit te filteren. Wat je dan overhoudt is ‘de waarheid’. In Hem is de waarheid.

Wat ook opvalt aan deze vreemde: Hij spreekt. Hier doorbreekt iemand een pijnlijke stilte: ,,zegt opnieuw uit te varen de netten over de andere boeg te gooien’’. Het is niet niks wat Hij zegt: een onzinnig bevel voor vissers die de hele nacht niets gevangen hebben. De nacht is de beste tijd om te vissen. Als het dan al vergeefs is, dan kun je het als het licht wordt wel helemaal vergeten. Dit zou pas ,,vergeefse moeite’’ zijn. Toch doen ze het. Ze gooien het net over de andere boeg.

Zwijgen

Het effect van de opdracht van de getuige is meteen zichtbaar: de derde strofe is barstensvol. Alsof het wonder van de woorden af spat. De netten staan op scheuren en zij, de vissers, zijn nu ook vol: vol geestdrift. Je ziet ze als het ware naar elkaar roepen, trekkend aan de netten, verbaasd, euforisch. De streepjes in deze strofe herinneren aan dat eerste streepje aan het begin van het gedicht. Eerst: ,,deze nacht vangen zij niets.’’  Nu: ,,tot aan / de rand stijgt het water’’. Het vreemde is: het water stijgt niet, maar de bootjes zakken, door het gewicht van de vissen. De sleutel van dit gedicht is deze zin: ,,hoe meer / vis, hoe droever water’’. Als er aan de ene kant iets gewonnen wordt, wordt er ergens anders iets verloren. Wil Sluijter dat zeggen? Als de netten leeg en droef zijn, is het water vol vissen; als het net vol is, is het water leeg en droef. Winst betekent altijd gemis en gemis winst. Het is maar vanuit welke positie je het bekijkt.

Bij deze wonderlijke visvangst past uiteindelijk maar één slot: zwijgen. De laatste strofe bestaat maar uit één zin. Of toch niet? Hoort het wit eronder er ook niet bij? Juist het ontbreken van woorden krijgt in een gedicht vaak grote betekenis. ,,Niemand van de discipelen durfde Hem de vraag te stellen: Wie zijt Gij? Want zij wisten, dat het de Here was’’ (vers 12). Nu kennen zij. Hij is geen vreemde meer voor hen. In de opdracht die Hij gaf, heeft Hij zich bekendgemaakt. ,,Wat bestorven op de lippen ligt / verstomt.’’ Het wordt hier zo sterk verwoord (‘bestorven’ én ‘verstomt’): ze kúnnen niet alleen niets meer zeggen, ze wíllen het ook niet meer. Hun mond is vol, tot aan de rand, de lippen, maar zij hebben geen woorden, zijn sprakeloos. Oog in oog met de Opgestane sterft ieder woord op de lippen.

2.320 thoughts on “Zij werpen droeve netten

  1. Beste monica

    ik vond het gedicht van ‘een visangst’best wel mooi. Ik wou hem gebruiken voor nederlands op school.Dus daarom wou ik weten wie dit gedicht heeft geschreven!!!!!
    Kun je mij zo spoedig mogelijk een e-mail terugsturen, waarin staat wie dit prachtig gedicht heeft geschreven.

    Bij voorbaat dank,

    Wehab

Geef een reactie