Blijvend gekend

Het gebeurt niet vaak dat juist het laatste woord uit een gedicht mijn aandacht trekt. Maar bij ‘Wens’, een gedicht uit de nieuwe bundel van Henk Knol was het zo: ik werd al gegrepen door het gedicht als geheel, maar dat ene woord bleef maar in mijn hoofd rondhangen: dagjesmens. Een woord dat naar mijn idee niet helemaal paste bij het voorgaande. Het doorbrak de sfeer, zette alles in een ander licht. Vanaf dat moment was het mijn ‘wens’ om die ‘dagjesmens’ te leren kennen en vanuit die mens ben ik teruggegaan het gedicht in.
Mijn eerste associatie met de laatste strofe van dit gedicht (‘met een enkel woord op zak: de naam waarmee/je blijvend bent gekend als dagjesmens’), is een kaartje. Een entreebewijs, waarop staat wat voor type bezoeker je bent: een dagbezoeker of hoe dat dan ook mag heten. Je hebt geen jaarabonnement, maar met het toegangsbewijs mag je er één dag in. Het fascineert me: ik stel me zo voor dat ik een ongeluk krijg. Men zal mij vinden en het kaartje uit mijn zak halen, het enige dat ik op dat moment bij me heb, waarmee ik geïdentificeerd kan worden: dagjesmens. Precies wat ik ben: niet meer en niet minder.

Meer dan een naam

Een naam wordt niet genoemd in dit gedicht. Wel meer dan een naam. Dit is poëzie over een mens met een ‘oogopslag’, met ‘nagels’, met ‘haar’, met een ‘geheugen’. Tastbaar. Een mens met ‘raadsels’, een denker, een mens met tekorten: hij kan zich niet alles feilloos herinneren. Als het om bewaren gaat, schiet hij tekort. Maar wat hij uitgerekend niet bewaart, maar gewoon – zonder het nog te weten – op zak heeft, is de essentie: de naam ‘waarmee je blijvend bent gekend’. Een naam die niet verandert. In tegenstelling tot alles wat vergaat, afbreekt en veroudert.
Waar blijft de tijd? is de vraag die in de eerste strofe wordt gesteld. Een retorische vraag die in de context van dit gedicht een onretorische lading krijgt.  In die eerste vraag wordt het akkoord ‘blijven’ al gehoord en het blijft de grondtoon tot aan het slot. Tussen het ‘Wat wil je van dit jaar bewaren’ en ‘dagjesmens’ ligt een eindeloze aaneenschakeling van woorden rond het thema bewaren en verliezen: bewaren– blijft – haalt – loslaat – weggeraakt – blijvend – etc. Die ketting wordt nog eens versterkt doordat het gedicht vol rijm zit. Voortdurend worden zo woorden aan elkaar gekoppeld die een gesprek met elkaar aangaan: bewaren – waar, tijd – blijft en het ultieme duo: wens –dagjesmens. Ook de a-klanken maken deze wens haast tot een bezwering, een formule.

Een gesprek

Over de vorm van dit gedicht zou ik nog veel meer kunnen zeggen. ‘Wens’ is een ingenieus bouwwerk, maar wat wellicht belangrijker is: het is ook en vooral een gesprek. Een gesprek tussen een ‘ik’ en een ‘je’. Dit gesprek vindt vooral plaats in de eerste strofe. Wat daarop volgt is min of meer een monoloog die daaruit voortkomt. Daar kom ik zo nog op terug. Het gesprek kostte me echter heel wat gepuzzel voor ik het een beetje begreep. Het ‘je’, ‘ik’, ‘mij’ die elkaar in snel tempo opvolgen maken het wat moeilijk te volgen. Namen worden niet gebruikt. In eerste instantie dacht ik dat het om twee mensen ging, twee geliefden die – zo stelde ik me voor – op oudjaarsavond het afgelopen jaar nog eens doornamen. Maar in gesprek (!) met een ander kwam een beter idee op tafel: de mens is in gesprek met zichzelf. Of scherper: de persoon-ik is in gesprek met de dichter-ik. De persoon vraagt de dichter wat hij wil bewaren en de dichter antwoordt, quasi gefrustreerd: wat weet ik daarvan? Waarom kom je met zo’n vraag bij mij, een dichter. Je vraag is veel te groot, mens. Van ‘dit jaar’ en ‘de tijd’ moet je terug. Terug naar de eenvoudige, alledaagse dingen. Die geven mij al ‘te veel gewicht aan raadsels om te overwegen’. In deze regel is die zwaarte prachtig uitgedrukt in die opeenstapeling van woorden. Het woord ‘overwegen’ krijgt opeens een heel dubbele lading. Je weegt de dingen letterlijk en figuurlijk. 

Raadsels

De vragen die gesteld worden in de eerste regels vormen de aanleiding tot een soort experiment in de middelste twee strofen. Er worden drie raadsels genoemd, raadsels die in de in de gedichten van Knol vaker een rol spelen. De dichter combineert het lijfelijke met het talige. Hij ontleedt het lichaam als het ware met het begrippenapparaat van de taal: de grondtekst van een oogopslag. Drie vluchtige dingen worden genoemd: een oogopslag, het groeiproces van een nagel, het verkleuren van haar.
Die kleine, onopvallende processen van het menselijk lichaam zijn al zo’n groot mysterie. De dichter brengt ze heel dichtbij, maakt ze persoonlijk. Iets wat ogenschijnlijk triviaal is, wordt in één oogopslag heel belangrijk. Een haar die van kleur verschiet – letterlijk en figuurlijk! – is al een vraag op zichzelf. Alle grote vragen worden teruggebracht tot de kleine dingen, de broosheid van het lichaam. De vragen die een kind stelt, verwondering om de witte plekjes in je nagel. Ze komen en ze gaan.

Bewaren en overwegen

Wat doe je vervolgens met deze dingen? Je bewaart ze, je slaat ze op in je geheugen. Deze oude doos, zoals de dichter hem met een knipoog noemt, heeft de vreemde neiging om de kleine, ‘onbelangrijke’ dingen zorgvuldig te bewaren, terwijl de grote dingen – het wereldnieuws, de grote gebeurtenissen – er eenvoudigweg niet in passen. Veel lezers zullen dit herkennen: een detail uit je kindertijd staat je haarscherp voor ogen, terwijl de grote lijnen je volledig zijn ontgaan. Maar wat is belangrijk en wat onbelangrijk? Wat is het bewaren waard?
En hoe bewaar je dit alles ‘overwegend ongekreukt’? Je kunt deze vraag op twee manieren lezen. Ten eerste: je vraag je af hoe je al die herinneringen aan jezelf of een ander zo netjes mogelijk bewaart. Ik denk aan een moeder die de oude kinderkleertjes strijkt, opvouwt en netjes in dozen opstapelt om ze vervolgens zo netjes mogelijk te bewaren. Maar dit klinkt er ook in mee: je overweegt al deze dingen. Een actieve manier van bewaren. Koesteren. Dan denk ik aan de reactie van Maria op de gebeurtenissen rond de geboorte van haar Zoon: ‘Doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende die in haar hart.’ Overwegen is eigenlijk een bijzonder woord, waar de dichter mee speelt: het heeft gewicht in zich, zoals alle herinneringen een soortelijk gewicht hebben.
Met het sleutelwoord ‘zodat’ gaat de formulering van het antwoord over in een conclusie. Waarom bewaar je dit alles? ‘Zodat het dan/in deze regels daar nog over gaat als je dit leest.’ Betekenis verjaart niet. Nu ik dit lees, gaat het nog steeds over de vraag waarmee ‘Wens’ begint. Waarover dan? ‘Om wie je bent’, dat is de kern. Maar met die constatering steekt onzekerheid weer de kop op: ‘of je dat weet misschien’. Als je in de spiegel kijkt, wie zie je dan? Wat zie je? Grijze haren, broze nagels, een ondoorgrondelijke oogopslag. Wie is de mens die je daar ziet? Wie is hij als de dichter in hem al weggeraakt is? Als de woorden opgeschreven zijn en je los bent gekomen van het gedicht. Als je elk houvast verliest. De houdbaarheid van het leven … een thema dat steeds terugkeert in de poëzie van Knol (denk bijvoorbeeld aan de titel van de bundel ‘Houdbaar stof’).

Weggeraakt

Er is een woord dat extra opvalt in de een na laatste strofe. Het staat als het ware op een kruispunt in het gedicht. Cruciaal: het werkwoord ‘was’ in de zin ‘als ik al weggeraakt was’. Dit is geen vergissing, maar een zeer zorgvuldig gekozen werkwoordstijd. ‘was’ staat er, terwijl je ‘zal zijn’ verwacht. De ikfiguur praat immers over de toekomst, hij denkt na over het bewaren van dit jaar voor later. En toch: was. Om de ironie te onderstrepen van het wensen: de tijd die zichzelf inhaalt. Een subtiel antwoord op de vraag in de eerste strofe: waar de tijd blijft. De houdbaarheidsdatum is als het ware al verstreken voordat de melk in het pak wordt gestopt. Ook het woord ervoor – weggeraakt – is een subtiele keuze. Niet ‘weggegaan’, maar ‘weggeraakt’, als een ding, iets wat je ergens bewaart op zolder en wat zoek raakt, verdwijnt zonder dat je er erg in hebt.
Je kunt dingen bewaren, herinneringen opslaan in je geheugen of op papier zetten, zoals in dit gedicht, maar de persoon – de ik – zal daar altijd aan ontsnappen. Het is vreemd: maar vergankelijkheid kun je tastbaar maken in een gedicht, terwijl datgene wat je juist wilt bewaren altijd zal wegraken, zal veranderen. Het gedraagt zich als een toerist, die alleen het hoognodige bij zich heeft. ‘ Op zak’, zoals dat hier wordt genoemd. Je hebt alleen je portemonnee op zak. Je identiteitsbewijs, een adres, een naam van een geliefde misschien. Meer niet. Maar een enkel woord is voldoende als het een naam is. ‘De naam waarmee je blijvend bent gekend als dagjesmens’. In die laatste, intense zin komt alles samen. Het mooie vind is dat er in de woorden (naam, blijven, kennen) allerlei andere teksten (gedichten, gezangen, bijbelteksten) mee gaan klinken, maar dat het tegelijk zo’n verrassend origineel slot is geworden.

Dagjesmens

Dagjesmensen, dat zijn we allemaal. We leven bij de dag, hoewel we wensen voor jaren. We zijn vergankelijk, broos (‘waar de tijd blijft’) maar: we zijn blijvend (het woord dat hier haast eeuwigheidswaarde krijgt) gekend. Als het om ‘blijven’ gaat schiet al het andere tekort: geheugen, grote gebeurtenissen, kleine veranderingen, tijd … Maar één ding voldoet: een naam. Want een naam is meer dan een woord. Een naam is een troost. Een naam is genoeg om mee te nemen. Al het andere moet je toch achterlaten. Je kunt erover nadenken en schrijven, over wie je bent, maar in die poging, die altijd tot mislukken gedoemd is, ontvang je het eenvoudige antwoord. ‘Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.’ (1 Kor. 13:12) Blijvend gekend als dagjesmens.

Geef een reactie