De achteruitkijkspiegel

Kijken is geloven. Dat is wat je ziet, als je dit gedicht leest. Wat je waarneemt, heeft alles te maken met wat je wilt zien, met wat je gelooft, waar je op hoopt. Alles is in dit gedicht gericht op wat zichtbaar is en voor wie. Twee paar ogen kijken. De dichter volgt hun blik met de camera. De blik begint heel laag, dicht bij de grond: je ziet de stoeprand en de tramrails. Er is sprake van een drukke straat: het is spitsuur. De eerste regels hebben iets beklemmends, iets onrustigs. Het wordt nog somberder als de blik omhoog gaat: gebouwen mokeren zich omhoog. De beklemming van eindeloze hoogbouw. De vorm van dit gedicht werkt mee aan dat gevoel: korte zinnen, veel afgebroken, zakelijk, haastig. De gebouwen mokeren zich letterlijk – in klank en ritme – omhoog. Het klinkt zoals je in de auto praat als je iets probeert te zeggen, maar je tegelijk moet concentreren op het verkeer. Haperend.

effect

Langzaam maar zeker krijgt de lezer meer inzicht in wie hier kijkt en registreert. Het tweede deel van de eerste strofe laat namelijk niet alleen iets zien, maar geeft daar ook betekenis aan. De lucht – de blik heeft nu het (bijna) hoogste punt bereikt – is uitzonderlijk grijs. Een soort grijs die de kijker omschrijft als het grijs dat aan gebrandschilderde ramen helderheid verschaft. De blik verschuift als het ware naar binnen. Je ziet wat het licht, de kleur van de lucht, doet met iets anders. Hoe het effect heeft op het raam waardoor het binnenvalt. De sfeer buiten is somber, bedrukkend, maar op een andere plek, in een totaal ander gebouw, een kerk, resulteert dat in een haast hemels wonder van helderheid en sprankeling. De manier waarop dit effect wordt verwoord, verraadt dat het een volwassene is die kijkt. Het is een beetje alsof er een definitie wordt gegeven. Dat zit ’m vooral in het woord ‘verschaft’. Het wordt als het ware zonder emotie gesteld. Een zakelijke mededeling, waarin toch ook iets van de verwondering doorklinkt.  

achteruit kijken

Echte verwondering is er op de achterbank. De blik verschuift in de derde strofe van de bestuurder – zij – naar het kind, dat achterin zit. De vrouw kijkt in haar spiegel. ‘Achteruitkijkspiegel’ is een bijzonder woord. Het trekt hier alle aandacht naar zich toe. Niet in de laatste plaats omdat het een pleonasme is: in een spiegel kijk je immers altijd achteruit. Dit functionele onderdeel van de auto is de sleutel die past het slot van het gedicht, waar herinnering een belangrijke rol speelt. De vrouw kijkt letterlijk en figuurlijk achteruit. En ze ziet in de spiegel niet alleen haar kind, maar ook zichzelf. Twee beelden die ineenvloeien en botsen tegelijk.  

De eerste strofe toont alleen wat er gezien wordt, hier gaat het meer over het kijken zelf. Zij ziet hem wijzen. Het kind ziet hetzelfde als zijn moeder en tegelijk iets heel anders. Het let op andere dingen. Niet op de kleur van de lucht en het effect daarvan, maar wat er gebeurt, wat er beweegt. Het kind ziet niet de twee vliegtuigen die volwassen lezers hier misschien al te automatisch invullen. Het ziet niet iets wat lijkt op of wat doet denken aan. Het ziet twee engelen. De omgekeerde wereld. De moeder zag een kleur die glas-in-lood maakt tot wat het is, omdat dat glas alleen echt z’n functie vervult als er licht door valt. Het kind ziet een wonder op zichzelf. Geen gemaakt wonder, geen truc.

godenboden

De moeder laat zich meenemen in de verbeelding van het kind. ‘Zij zullen voor het kind een film vertonen – wacht /God doet het zelf!’ Alle nadruk valt op het laatste zinnetje in de voorlaatste strofe. Het is een opmerkelijke mededeling. De moeder weet kennelijk wat die twee onverwachte engelen voor het kind doen. Zij is zelf ook kind geweest. Het kind verbindt het bovenaardse, de engelen, moeiteloos met het aardse, de film. En als die film in zijn hoofd gaat lopen, corrigeert hij zichzelf meteen: het is nog groter, nog echter. God doet het zelf! Waar engelen zijn, is God. Engelen zijn de boden. Boodschappers van het licht, boven de stad.

Dit alles gebeurt in een flits. De bestuurder heeft maar even tijd om achteruit te kijken. Ze heeft meteen weer alle aandacht nodig voor de weg. Voor haar een stoplicht. Verkeer trekt op, steekt over. Op een heel geraffineerde manier combineert de dichter wat er gebeurt in het verkeer, op de straat met wat er gebeurt in het hoofd. ‘Herinnering en verlangen kruisen’, schrijft ze. Dat is de sleutel tot dit gedicht: herinnering – hoe je keek toen je klein was – en verlangen – wat je zou willen zien – komen bij elkaar. Als godenboden vliegen ze rakelings langs ons, gewone, alledaagse bestaan. Al lezend word je even uit de sleur, het grauwe van stoeprand en stoplicht getrokken.

weten wat je mist

Het gedicht eindigt met een vraag die als het ware samenvat wat er in ‘Boven de stad’ gebeurt. Een moeilijke vraag, die je zorgvuldig moet lezen om hem te begrijpen:

‘Hoe kan het verstandelijk vermogen/ onbevangen blijven zonder te/kennen wat het mist.’ Na de onbevangen, ontwapenende blik van het kind zijn de laatste drie zinnen eigenlijk te veel, te zwaar. Te veel analyse, te prozaïsch misschien. Maar de vraag wordt dan ook gesteld door de moeder. En het idee erachter is wel precies waar het om gaat: Hoe kun je – met alle verklaringskennis die je hebt – blijven kijken als een kind: onbevangen, gelovend in wonderen. Dat is eigenlijk onmogelijk, tenzij je weet wat je mist. Je weet met je verstand: dit zijn vliegtuigen, maar je zegt, omdat je verbeelding en intuïtie een kans geeft: het hadden ook engelen kunnen zijn. Of je zegt: het kind heeft echt engelen gezien en ik heb er vliegtuigen van gemaakt. Je kijkt achteruit, naar wat je toen had. Je geeft je verbeelding een kans. Maar in enkele seconden mokert het besef zich weer omhoog: hoe graag je ook zou willen, je kunt niet meer kijken, zoals je keek, omdat je nu weet wat je toen niet wist. En toch wil je daar ten diepste niet aan. Je blijft kijken!

 

Geef een reactie