Stenen laten spreken

Het titelgedicht uit de nieuwste bundel van Hester Knibbe is geen experimenteel gedicht. Toch is het wel een experiment. Een proef die de dichter uitvoert, een recept voor een gerecht, dat steeds opnieuw bereid kan worden. Aan de hand van dit gedicht kun je goed laten zien hoe je poëzie kunt lezen. Hiervoor is geen recept, geen voorschrift. Ieder leest en geniet op zijn eigen wijze. Maar ik ben ervan overtuigd dat er wél een instrumentarium is, dat ieder behulpzaam kan zijn. Je kunt je oefenen in het lezen.

In de rubriek ‘Dichterbij’ in het tijdschrift CVKoers heb ik enkele jaren lezers laten delen in mijn bevindingen bij gedichten die ik lees. Ik kan niet precies uitleggen hoe ik dat doe. Bij het ene gedicht werkt dat weer anders dan bij het andere. Er zijn gedichten die zich niet zo goed lenen voor een interpretatie. Ze zijn fantastisch om te lezen, maar je moet er niet te veel over zeggen. Er valt ook niet te veel over te zeggen. Andere bieden zoveel, dat je er pagina’s over kunt volschrijven. Met het gevaar dat de woorden over het gedicht het gedicht zelf opzijschuiven. Maar in de meeste gevallen leidde mijn zoektocht tot verrassende ontdekkingen.

Het belangrijkste oogmerk van het schrijven over gedichten is – voor mij althans-: niet de beoordeling van de kwaliteit, de plaats in het oeuvre, etc. Ik wil vooral laten zien hoe je kunt genieten van een gedicht, wat er allemaal in verstopt zit. En dat het niet moeilijk is om een gedicht te lezen. Alles komt neer op heel zorgvuldig lezen en herlezen, een beetje puzzelen, de betekenis van woorden kennen, het verband zien. Je bevindt je als het ware in een hof waar de dichter een zuilengang omheen heeft gebouwd. In dat kwadraat op papier speelt het leven zich af. Regelmatig wil ik op de site van Pem Sluijter laten zien wat er in een gedicht allemaal te beleven valt.

Eigenlijk is er met poëzie iets bijzonders aan de hand: een dichter is in staat dingen te doen die onmogelijk zijn. De nieuwste bundel van Knibbe, ‘De buigzaamheid van steen’, bevat een aantal gedichten die gaan over de oudheid, over stenen voorwerpen, over geschiedenis. Knibbe kijkt met veel aandacht en precisie naar wat zij tegenkomt. Ze ziet de scheuren, de lijnen. Ze registreert nauwkeurig hoe de tijd langzaam maar zeker bezit neemt van de dingen om ons heen. De wereld verbrokkelt en ‘wie niet spreekt, laat het verhaal in zich verstenen’. Wat je nu ziet van vroeger, wordt met de dag een beetje anders dan toen. Alles slijt af, alleen een gedicht niet. Een dichter is in staat dingen die weg dreigen te vloeien te bevriezen, te conserveren en voorwerpen die verstarren te buigen. Stenen laten spreken, dat kan in een gedicht!

In ‘De buigzaamheid van steen’ is er sprake van drie ranke zuilen. Je ziet ze ook op de fascinerende foto op de voorkant van de bundel. Ze maken deel uit van een rechthoekige hof. De dichter omschrijft eigenlijk heel nauwkeurig, alsof het een recept is, hoe die hof eruit ziet. Het doet een beetje denken aan de binnentuinen van de Moorse paleizen in Spanje, waar je vanuit een wirwar aan zalen en gangen opeens kunt uitkomen op zo’n mooie, symmetrische hof. Alles spiegelt zich en met een wiskundige precisie is een illusie gecreeerd, een wereld in het klein. Kijk je naar de vorm van dit gedicht, dan zie je dat die de ervaring, de foto, weerspiegelt. Het gedicht is als een hof opgebouwd. Twee keer twee strofen van drie regels vormen de vier hoeken van de hof. Tussen die vier pilaren bevindt zich de middelste strofe, die bestaat uit vijf regels. En – als een raamvertelling – bevat dit midden ook een midden. De eerste twee en de laatste twee regels van de middelste strofe schikken zich als pilaren om het middelpunt: de regel ‘gaat bewegen, verlegen een been’. Dat is nu uitgerekend de regel waarin het zorgvuldige bewaarde evenwicht wordt doorbroken. De hof wankelt. Daar is de balans zoek. De eerste twee regels hebben deze zin nodig om een drietal te vormen, maar de laatste twee ook.

Met taal heeft de dichter een hof gebouwd. Ze probeert een wonderlijk verschijnsel – de zuil die afwijkt van de andere- te beschrijven. Dat dat niet eenvoudig is, blijkt wel uit woorden als ‘welke achter welke’, ‘of nee’. Wat er precies aan de hand is, blijft giswerk. Maar de pogingingen zelf levert betekenis op. Ze zijn zuilen die zich schikken om een nieuwe hof, de hof van de poëzie, waarin de dag en de nacht kunnen leven. Woorden, pilaren, vormen samen zinnen, zuilen. Ze bieden een veilige omheining voor de betekenis, de taal, de beleving.

Er is een eigenzinnige pilaar in dit gedicht. Door die pilaar menselijke trekjes te geven, kun je de steen tot leven wekken. Je ziet het als het ware voor je. Die pilaren staan al honderden jaren stil op hun plek. En dan opeens gaat er één bewegen. Als een man die lang moet wachten en van het ene op het andere been gaat staan De dichter omschrijft dit cruciale moment op verschillende manieren: iemand die verlegen een been achter een ander slaat. Even later stelt ze dat beeld bij: ‘… – of nee/ één buigt zijn slanke gestalte in een/uiterste smeekdans om twee waardoor/drie zijn voet een slordige fractie/dient te verzetten…’. De wankeling van de hof weerspiegelt zich in het gedicht zelf: de manier waarop de dichter haar aarzeling, haar pogingen op papier zet, illustreert wat zij beschrijft. Het gedicht wankelt als het ware zelf. De woorden worden herschikt. Het is een klassiek gedicht, maar het heeft nonchalante trekjes. De strakke vorm wordt steeds doorbroken en zo beeldt Knibbe precies uit wat ze ziet.

De wereld verandert. Niets is blijvend. Wat blootstaat aan weer en wind slijt, verweert. Maar hoe bewegelijk, veranderlijk het leven ook is, sommige dingen staan (nog!) vast. Het kapiteel is het vaste punt, waarin de drie pilaren samenkomen. De gedachte is de basis en de slotsom. Letterlijk het uitgangspunt. Drie pilaren: drie elementen, die samen één (let er eens op hoeveel accenten er in het gedicht voorkomen) gedicht vormen. Een wankel evenwicht, een smeekdans die gedanst wordt in de zwartste nacht van de eeuw. Verzet je een woord, een syllabe, dan is het evenwicht verbroken, stokt het ritme. Maar de gedachte blijft onaantastbaar gebeiteld. Een ander drietal: de schrijver, de lezer en het gedicht. Onderhevig aan de tijd, de natuurelementen, maar samen vastgehouden in een sluitsteen: de gedachte die hen verenigt.


Geef een reactie